maandag 29 mei 2017

In Dienst van Wilhelmina (12)



6. Amsterdam, 5 februari 1935, vroege avond

De heren buitelden haast over elkaar heen om een stoel aan te schuiven voor ‘het stuk’ zoals Ed de knappe vrouw in gedachten al betitelde. Toen ze eenmaal zat en uit haar kleine elegante tasje een sigarettenkoker opdiepte, was Peter er als de hazen bij om haar een vuurtje te geven. ‘Heren, jullie mogen je monden sluiten hoor! Jullie hebben toch wel eens vaker een werkend meisje gezien? En ja graag, ik wil wel wat drinken, hoor!’ Twee monden klapten bijna hoorbaar dicht en Ed had de tegenwoordigheid van geest om de ober een seintje te geven. Ze bestelden en even later werden de drankjes gebracht. Peter had als eerste zijn tegenwoordigheid van geest terug en vroeg: ‘Ik geloof dat we wel een korte uitleg verdiend hebben, mevrouw Uitdenboogaard?’ ‘Het is mejuffrouw Uitdenboogaard, mijnheer Neelissen, mejuffrouw nog steeds, hoor. En ja, ik ben jullie een uitleg schuldig.’ Vanuit zijn ooghoek zag Peter dat Ed als een verliefd kalf naar de inspecteur zat te kijken en ook uit de blik die de jonge vrouw op zijn vriend wierp, sprak wel enige interesse. ‘Ja, een woordje van uitleg is wel op zijn plaats.’ Ze nam met een elegant gebaar haar cocktailglas voorzichtig bij de steel en toastte. ‘Op de kennismaking, heren!’ De beide jonge officieren deden hetzelfde en Peter stelde voor elkaar te tutoyeren en even later hadden ze voornamen uitgewisseld.
‘Goed dan, zoals ik al zei, ben ik inspecteur van politie. Dat is niet helemaal het juiste woord, hoor. Bij onze politie dienen officieel nog steeds geen vrouwen, net zoals bij Defensie, overigens. Schandalig genoeg, wil ik zeggen, want wij vrouwen kunnen dingen net zo goed als mannen, misschien soms wel beter. Maar, soit. Ik ben inderdaad in rang gelijk gesteld aan inspecteur, qua salaris enzovoort, maar ik ben ‘buitengewoon opsporingsambtenaar’, zoals men dat zo fraai noemt. Ik zal, nee, ik mag geen straatdienst doen of in een moordonderzoek fungeren, daar acht men mij, laat ik het anders zeggen, ons, vrouwen, te zwak voor, maar ik kan wel infiltreren in bedrijven als NEVESBU, om daar als koffiejuffrouw of ‘tiephitje’ bepaalde zaken waar te nemen of te beluisteren. Zaken, waarvan de heren, die ik dan ‘beluister’ of liever en beter gezegd, afluister, denken dat zo’n vrouwtje, ja, ja, zo wordt over ons gesproken, we zijn maar vrouwtjes!’ (ze spoog dat laatste woord bijna uit) ‘te dom zijn om er ook maar enige aandacht aan te besteden. Maar, de hoedanigheid van koffiedame of typiste, zal ik het maar noemen, geeft mij de kans om heel veel te horen.’           
‘Maar hoe ben je nu zo bij de NEVESBU verzeild geraakt, Ellie?’ vroeg de heer Winkelman, die, zoals Peter het hoorde, een haast smachtende klank in zijn stem had. Hij glimlachte voor zich uit. Hij wist dat Ed aan vaste relatie toe was, in plaats van al die floddermadammen, waar hij mee optrok. Niet dat hij aan de blikken van de twee veel kon zien, hoor. Maar, hij hoopte vurig dat zijn vriend een bestendige relatie zou vinden. Hij wist hoe goed en prettig het was om een relatie te hebben. Het gaf je als man rust om ’s avonds thuis te komen in een huis waar netheid was en een warme verschijning die je opwachtte en waar je ’s avonds je vragen en onzekerheden mee kon delen en die je ’s nachts in bed.. Even gleden zijn gedachten weg naar het perfecte lichaam van Daantje, haar kleine, stevige hoog opgerichte borsten die hij zag als ze in bed stapte, haar kleine nauwelijks gewelfde buik, haar heerlijke en geheimzinnige ‘poort naar de hemel’ zoals hij haar geslacht altijd gekscherend noemde, dat zo heerlijk geurde en zo prikkelend smaakte.
Hij werd uit zijn erotische dagdroom opgeschrikt door de stem van Ellie, die antwoorde: ‘Zoals ik al zei: er dienen nu een goede twintig jaar vrouwen bij de politie, maar we mogen dus geen repressieve taken uitvoeren. Maar, zoals ik ook al zei, als je geluisterd had, Peter, we mogen wel infiltreren om zaken te, laat ik het beter zeggen, van binnenuit te bespioneren.’ De zinnen klonken bits, maar de toon waarop ze zich tegen Ed richtte verzachte dat wel, merkte Peter op en hij glimlachte voor zich heen. ‘Zoals jullie weten werkt de NEVESBU voornamelijk voor de Koninklijke Marine. Nu zijn ze druk met dat slagkruiserplan, maar er is ook voorzien in de bouw van twee kruisers. Jullie begrijpen natuurlijk als de beste dat dat doelwitten van spionage kunnen zijn. Nu weet de Amsterdamse politie dat ook verhipte goed en je denkt toch niet dat commissaris Versteeg dat gedoe in zijn achtertuin wil hé? Want spionage geeft een heleboel onrust in een stad hoor. Elkaar beconcurrerende clubs van spionnen die misschien schietend of messen werpend door zijn stad trekken? Dat wilde Versteeg absoluut niet. De Jordaanoproer is net achter de rug met zijn vijf doden en tientallen gewonden en de stad is net een beetje tot rust gekomen. Dus wilde hij, voor de zekerheid, extra toezicht in dat bureau, maar dan ongemerkt en onopvallend. Nu wilde de minister van Defensie dat natuurlijk ook wel, maar om daar nu een Defensie man neer te zetten, dat zou te veel opvallen. Zie alleen maar de reuring die jullie komst vandaag veroorzaakt heeft. Dus werd met de commissaris afgesproken dat ik zou solliciteren op de functie van koffiedame en schoonmaakster bij het bureau. Een sollicitatie waar Geelhorst van wist overigens en waar hij helemaal achter kon staan ook. Ik trad dus een half jaar geleden of zo in dienst..’ Ze zweeg even omdat de ober een schaal bittergarnituur neerzette en beleefd boog: ‘Eet U smakelijk mevrouw, en U ook heren.’ Zijn blik bleef even te lang rusten op Ellie’s decolleté om beleefd te zijn, vond Peter, maar hij begreep het wel. Ze zag er ravissant uit. ‘.. en ik kon van een aantal personen, door gesprekken met hen te hebben en met behulp van hun persoonsdossiers, zowel op het bureau alsmede op afdeling ‘centrale inlichtingen’ op het HB hun achtergronden en motivaties nalopen. Ik heb duidelijk en helaas de diefstal niet kunnen voorkomen, maar dat was ook niet mijn rol, natuurlijk. Verder wist ik dus niet dat jullie vandaag aan zouden komen voor het onderzoek. Ik kon me natuurlijk moeilijk voorstellen, vanmorgen, dan zou ik helemaal uit mijn rol getuimeld zijn, begrijpen jullie?’ Peter knikte, hij begreep het helemaal. Ed knikte ook, maar Peter had niet het idee dat collega Winkelman helemaal bij de les was.
‘Ik weet niet precies of jullie al een stap verder zijn, maar ik heb hier wat meer gegevens. Ik heb in ieder geval drie interessante namen, waarvan ik denk dat die nog eens aan de tand gevoeld moeten worden. Zullen we die nu doornemen of liever morgen, als jullie terug komen? Want dat had ik in ieder geval begrepen uit jullie afscheidswoorden tegen Geelhorst.’

dinsdag 14 maart 2017

Het Slagkruiserplan (11)



5. Amsterdam, dinsdag 5 februari 1935, later die ochtend

De kamer van de hoofdingenieur werd zoveel mogelijk gereed gemaakt om er ongestoord een aantal ondervragingen te doen. Ed en Peter hadden gedurende hun inderdaad zware opleiding die ondervragingstechnieken geleerd van een oud hoofdinspecteur van de Haagse politie. Niet dat ze dachten scherp te moeten ondervragen, er was geen moord gepleegd natuurlijk, maar de oud politieman had hun wel een aantal goede trucs en tips aan de hand gedaan. Zo konden ze “goed en fout” spelen, waarbij de ene man aardig en vriendelijk was en zo de ondervraagde op zijn gemak stelde en de ander kon dan opeens boos, kwaad en bars uit de hoek komen en zelfs, door bijvoorbeeld met zijn vuist op tafel te slaan, de ondervraagde schrik aanjagen en zo loslippig maken.
Maar vandaag was dat allemaal minder nodig. Ze hadden, na de heer Geelhorst zelf, die niets bijzonders te verklaren had, verder dan dat hij hen al had verteld, als eerste de ingenieur Lammers ondervraagd. Maar ook hij kon niet meer te vertellen dan dat hij de kluis had aangetroffen zoals hij dat al aan zijn chef had laten zien. Rond het middaguur hadden ze alle vijf ingenieurs en de twee typistes ondervraagd en trokken de mannen hun dikke wintermantels weer aan en verklaarden aan de heer Geelhorst dat ze de volgende dag terug zouden komen om nader onderzoek te verrichten. Hun magen knorden en Peter zei dat ze eens zouden aanleggen bij een Chinees restaurant in de Binnen Bantammerstraat om een lekkere Nasi Goreng te eten. Ze liepen via oude grachtjes die stonken naar uitwerpselen en bederf naar een klein pandje waar een bord met Chinese karakters uithing. Ze daalden een klein trapje af en kwamen in het souterrain. Op een paar oudere Chinezen die hun haren nog in vlechten droegen na, was het leeg in de zaak. Het rookt er naar kruiden en vis en andere en ondefinieerbare zaken. Waarschijnlijk was Peter hier bekend, want hij riep een naam: ‘Wu, aannemen’, en even later kwam er een klein Chinees vrouwtje aantrippelen dat buigend en glimlachend een tafeltje vrij maakte en hen uitnodigde plaats te nemen. Geduldig wachtte ze tot de twee mannen hun bestelling plaatsen. Iets later hadden ze beide een schaal dampende en geurige Nasi Goreng en een biertje naast hun bord staan. Ed at voorzichtig van het kruidige gerecht. In tegenstelling tot Peter, die de Chinees/Indische keuken vanuit de Marine en de Oost gewoon was, was de jonge luitenant opgegroeid met Rats, Kuch en bonen, zoals een populair liedje ging. Maar het eten smaakte hem wonderwel en ook de sambal die Peter naar hartenlust nam, kon hem wel bekoren, maar de in zuur ingelegde pepertjes liet hij aan zijn vriend. Na de eerste happen, trok Peter, een zacht boertje latend, zijn zakboekje tevoorschijn, zocht de bladzijden op waarop hij de notities had gemaakt tijdens de ondervragingen en streek de rug van het aantekenboekje recht.
‘Ik wil wel even één ding als eerste stellen, Ed. Ik geloof niet dat het een kraak van binnen uit is geweest. Ik bedoel dat er geen mensen van het bureau dit gedaan hebben. Weet je, er is, volgens Geelhorst, maar één sleutel van die kluis. Die wordt ’s avonds door hem zelf thuis opgeborgen en dan ’s morgens tevoorschijn gehaald. Ik geloof niet dat iemand ongemerkt de sleutel zou kunnen lenen, om het maar zo te zeggen, om er een afdruk van te laten maken. Goed, goed, ik geef toe, zeg nooit “nooit”, maar ik geloof er niet zo in, als ik eerlijk ben. De reserve sleutel berust ook bij Van Geelhorst en die heeft hem dus thuis in zijn kluis liggen.’ Ed knikte: ‘Ik geloof ook niet dat die Geelhorst het idee zou hebben gehad om de plannen te stelen, of de sleutel na zou hebben laten maken. Dan zou hij meteen hoofdverdacht nummer één worden. Nee, ik denk dat je gelijk hebt. Maar ga even verder over wat we wel weten en over wat we wel gehoord hebben.’ Uit de richting van de keuken klonk hel gelach en het gesnater van Chinees sprekende stemmen. De deur ging open en twee aangeschoten zeelui kwamen stommelend het vertrek binnen en namen luidruchtig plaats. Wu schoot toe om hun bestellingen op te nemen.
Peter nam zijn boekje weer in zijn hand, dronk een slokje van zijn bier en liet weer een boertje. ‘Sorry hoor, maar die nasi goreng is heerlijk, vindt je niet? Dit is een toptentje joh, echt. Maar goed. Als eerste hebben we die Lammers gesproken, Hm, even zien, geboren te Dordrecht, in maart ’03, middelbare school ook in Dordrecht, daarna naar Delft en daar in ’28 afgestudeerd. Wat banen bij andere scheepswerven, maar door de ‘krach’ niet echt aan de bak gekomen. Solliciteerde dan bij NEVESBU in, even zien, oh ja, dat was het vorige jaar en hij werd door Geelhorst ingehuurd. Geen verleden wat politie aanrakingen of justitie betreft, maar daar zetten we onze korporaal in Den Haag nog wel op, die pluist die zaken wel uit, via het hoofdbureau van politie. Hij vertelde tijdens onze ondervraging hetzelfde verhaal zoals hij dat die ochtend al deed. Hij kwam binnen, hing hoed en jas weg, deed z’n overschoenen uit. Overschoenen? Raar. Die dingen dragen toch alleen oudere mannen? Nou ja, ijdel of zuinig op zijn schoeisel, waarschijnlijk. Dan schonk hij koffie in en terwijl die afkoelde liep hij naar de kamer met de brandkast. De sleutel, hé, waar was die dan? Oh ja, Geelhorst was een minuut na hem binnen gekomen, lees ik, dus de sleutel kreeg hij van de chef de bureau. Goed, hij maakte de brandkast open en haalde de diverse plannen er uit. Er lagen op dat moment drie ontwerpen in de safe, klopt dat?’ ‘Ja, dat klopt’, antwoorde Ed, ‘dat van die Duitse onderzeeër, een eerste opzet, zeg maar ruwe schets, van een Nederlandse kruiser die de Eendracht moet gaan heten en dan onze plannen, zeg maar.’ Peter knikte. ‘Ja, dat is zo, naast het ontwerp van die brug voor de Shell, verder niets. Goed. Hij haalt dus de plannen tevoorschijn en ziet meteen dat ‘onze plannen’, zoals jij ze noemt, verdwenen zijn. Hij schrikt zich rot, vertelt hij, kijkt nog eens voor alle zekerheid in de overige vakken, maar nee, niks van dat alles. Hij rent dan naar Geelhorst, die vertelt dat ‘ie zich ook rot geschrokken is en samen met Lammers kijken ze de kluis nog eens na. Maar, zoals gezegd, niks, niemendal.’

‘Tja, en dan belt Geelhorst rond negen uur naar Den Haag, waar de minister nog niet is gearriveerd. Hij besluit dan om de kamer te verzegelen, want hij beseft verrekte goed dat er speurders op af gaan komen die sporen willen ontdekken. Dan belt hij nog een paar keer en pas rond twee uur in de middag is de minister er eindelijk wel. Ik ga een stelling poneren, Peter. Luister goed. Stel dat Lammers die ochtend de kluis opende, de plannen tevoorschijn haalde en ze ergens in die kamer verborg, dat is het werk van een ogenblik. Hij kent de weg daar en kan in die kamer alleen al tien verstop plekken vinden of bedenken. Dan heeft hij, vanaf het moment dat hij samen met Geelhorst de kamer weer betrad en weer verliet, tot het moment dat Geelhorst de kamer verzegelde, zeker een uur de tijd gehad om de plannen ergens anders in het gebouw te verstoppen of aan een of andere handlanger af te geven.’
‘Ja, en toen wij vanmorgen arriveerden was de kamer nog verzegeld. Ik vraag me af hoe groot zo’n pak plannen eigenlijk is. Ik bedoel, zou je het onder je vestje kunnen schuiven? Hm, morgen eens kijken. Ja, dat is een idee, laten we dat vasthouden. Maar zijn motief? Nou ja, we trekken de man morgen wel na via het hoofdbureau van politie in de stad. Witten heeft trouwens net getelegrafeerd om ons volledige medewerking te geven, zonder het doel en de reden van ons verzoek om hulp te verklappen, overigens.’ Ze aten nog even zwijgend verder, bestelden nog een glas bier en lieten hun gedachten gaan over de ochtend. Peter hernam: ‘Maar ik wil even de andere ondervragingen snel met je doornemen. Ten eerste: Geelhorst, zijn verhaal hebben we gehoord en de ontsteltenis van de man was dermate groot, dat ik niet meen dat hij iets met dat nare zaakje te maken heeft, eerlijk gezegd. Goed, dan hebben we nog mijnheer nummer drie, mijnheer Vink. Geboren in 1889, diende in de oorlog als kapitein van de Genie, in dienst bij NEVESBU sinds ’19. Getrouwd en woont in Nieuwendam? Waar is dat Ed, dar ben ik vergeten op te schrijven?’ ‘Oh’, wist zijn vriend, ‘een landelijk vissersdorpje aan de overkant van het IJ.’
‘Bon, nu ja, de man lijkt me boven elke verdenking verheven. Hij is ook nog eens ouderling in de kerk, nee, geen heet spoor. Vind je ook niet?’ De kapitein schudde van nee, ook hem leek het vergezocht. ‘Verder, nummer vier. De heer Kahn. Een Duitse mijnheer, geboren in Potsdam in 1902, die een jaar geleden in dienst trad. Volgens hem is hij met zijn vrouw en dochtertje gevlucht voor het bewind van de nieuwe Rijkskanselier, de heer Hitler.’ Peter grinnikte wat: ‘ Wist jij trouwens Ed, dat die Hitler eigenlijk helemaal geen Hitler heet? Nee, hij is geboren als Schiklgruber, of zoiets. Maar ja, dat is niet echt een naam voor een politicus, toch? Stel dat je: ‘Heil Schiklgruber’, zou moeten roepen, dan zou je in de lach schieten.’
Ed grijnsde toen hij dat beeld voor zich opriep.
‘Maar waarom zou die Kahn dan vluchten voor Hitler?’ wilde hij weten. Peter keek op van zijn boekje: ‘Nou, hij is een Jood, ik keek in zijn pas. Ik stelde die vraag ook aan hem, en hij beweerde dat Hitler en zijn Nazi kliek de wereld pas een betere wereld vonden als er totaal geen Joden meer zouden bestaan. Hij vertelde iets over concentratiekampen, maar wat dat nu precies zijn, dat weet ik niet. Nou ja, van de Boerenoorlog, natuurlijk, maar dat is al weer dertig jaar geleden. We vragen het hem nog.’
Ze bestelden nagerecht en koffie, die prompt werden gebracht. ‘Dan hebben we nog mijnheer Den Besten. Een wat schichtig mannetje, vond ik. Hij is van 1899, te laat om opgeroepen te worden voor de mobilisatie, en hij stamt uit Limburg en, oh ja, hij heeft een Duitse moeder. Hij heeft een paar jaar in München gewoond, lees ik. Dat is de stad van Hitler, toch? Nu ja, dat kan ook op niets duiden, ’t is een miljoenenstad, immers? Hij werkt nu alweer tien jaar bij de firma. We zullen ook hem na laten gaan en kijken waarom hij zo schichtig is.’ Hij klapte zijn aantekenboekje toe. ‘Tja boy, dan denk ik dat het tijd is om af te rekenen en om op te krassen. Ik ga vanaf met Daantje naar de film. Cleopatra draait in de Roxy en het vrouwtje zeurt me al weken aan mijn kop, dus ik geef maar toe.’ Peter was sinds een jaar getrouwd met Diana van Berkel een telg uit een roemrijk ondernemersgeslacht. Zij had nog wat geld binnen gebracht in hun huwelijk en hoewel Peter daar absoluut niet aan wou, moest hij toch toegeven dat het leven met een klein marine traktement op deze manier aardig verlicht werd. Ed, die nog steeds vrijgezel was, hoewel hij genoeg terloopse vriendinnetjes had, maakte de befaamde Haagse grap over de drie bioscopen van de residentie: ‘Als ik Flora onder haar Roxy, denk ik: ha, daar City’.
Ze grijnsden als schooljongens, Peter trok zijn portefeuille, een echte leren zag Ed gauw, waarschijnlijk een cadeau van Daantje en toen hij haar opensloeg viel er een klein papiertje uit, dat bijna in het lege koffiekopje van Peter was gedwarreld, als die het niet bliksemsnel had gevangen. Hij hield het kattenbelletje tegen het licht en las:
‘Kom om vier uur voor de ‘Thea’ in Hotel Polen. Ik heb verdere inlichtingen, E.’
Verwonderd keken ze elkaar aan. ‘E?’ zeiden ze verbaasd, ‘er is onder de mensen die we spraken helemaal geen E!’

Die middag zaten twee net geklede heren tegen vier uur in de middag in de zaal van Hotel Polen. Ze lazen de avondbladen, maar hielden de ingang van de zaal nauwlettend in het oog. Er kwamen heren binnen, in beurskostuum of in stadstenue, er kwamen echtparen binnen gekleed in avondtoilet die voor hun avondje ‘on the town’, eerst nog wat wilden eten, maar er kwam absoluut geen heer binnen die voldeed aan het signalement van een van de medewerkers van NEVESBU.
De heren werden langzaam wat korzelig en de stevigste van de twee merkte op dat hij zijn vrouw zou gaan bellen om haar te vragen plaatsen voor de tweede voorstelling te reserveren, toen hun oog viel op een jonge, knappe brunette. Ze was geheel naar de mode van dat jaar gekleed. Een deux-piece van een wat onbestemde, haast zeegroene kleur waarvan de rok tot driekwart van haar fraai gevormde benen viel, een witte blouse met ruches en een fraaie wintermantel waar de boy haar juist uithielp en een koket baretje schuin op de golvende en glanzende haardos. Alle heren, al dan niet vergezeld van hun dames, hielden bijna collectief heel even hun adem in toen ze de jeugdige vrouw heupwiegend op haar lange slanke benen het vertrek zagen binnenlopen. In de deur keek ze even om zich heen en, nadat ze zich ervan overtuigd had dat haar afspraak aanwezig was, zette ze koers naar haar doel. Dat doel was het tafeltje van de twee heren, die haastig hun kranten opvouwden en uit de gemakkelijke fauteuils omhoog kwamen. Ze keken verbaasd naar de verschijning, ze konden haar niet thuis brengen. De vrouw gaf een handje en zei: ‘Goedenavond heren, ik ben blij jullie aan te treffen.’ Niet begrijpend keken de heren naar elkaar en naar de prachtige jonge vrouw. Ze boog wat naar voren en de geur van een subtiel parfum dreef in hun richting. Ze dempte haar stem en fluisterde: ‘En als ik nu zeg: ‘sautje flauwerikken’, herkennen jullie me dan wel?’ ‘Juf Antje’, riepen Peter en Ed haast tegelijk. De vrouw lachte een heldere, schaterende lach.
‘Nee, heren, Inspecteur Ellie Uitdenboogaard, Rijksrecherche. Mag ik plaats nemen?”