‘Goed, verder. Luitenant ter Zee der
tweede klasse Peter Neelissen, geboren vijftien augustus 1900 in Assen. Wat mot
een Drent in Godsnaam bij de Marine? Klas van ’20 bij het “Instituut”.’ Hij
grinnikte. ‘Tja, bij ons heet dat een Academie maar bij de Marine schijnt dat
een Instituut te zijn. Jullie zeelui! Maar geen ereplaats, lees ik, middelmaat
van de klas, geen opvallende zaken, hoewel, de affaire met de dochter van de
commandant van de Bandung toch wel
wat was, niet?’ Hij zag dat de marineman kleurde en grinnikte in zichzelf.
Verrekte jonge honden, dacht hij, toch heerlijke tijden, die studietijd.
‘Navigatie officier als specialisatie en ook verbindingen? Gevaren op
pantserschepen in de Oost en in ’32 in de West. Zelfs het commando gehad over een
havenmijnenlegger, Hare Majesteit ’s De
Winter.’ Hij keek, vanonder zijn borstelige wenkbrauwen, vragend naar de
marine officier. ‘Havenmijnenlegger? Wa’s dat nu weer? Nee. Laat maar dat wordt
te technisch. Vertel dat nog maar eens. Hm, heel wat van de wereld gezien, dus.
In ‘32 in Venezuela gedropt met een peloton mariniers door een schoenertje en,
met Amerikaanse mariniers van de First Marine Division op jacht geweest naar de
opstandelingenleider Nobles. Deze is opgepakt na, wat ik uit de woorden van het
verslag begrijp, “een schotenwisseling”? Tja, dat staat fraai verpakt. “Een
schotenwisseling”. Daarna is dit fraaie heerschap uitgeleverd aan de Verenigde
Staten. Dat is een goede zaak geweest. Het heeft de rust in de Caraïben weer
teruggebracht en de politieke situatie op Curaçao en Aruba gestabiliseerd.’
Peter Neelissen huiverde even toen
hij terugdacht aan wat hij in zijn rapport een “schotenwisseling” had genoemd.
In wezen was het een vuurgevecht van wel een half uur geweest. Een vuurgevecht
tussen de vijftiende compagnie van het derde bataljon van het US Marine Corps
ondersteund door een peloton van het Nederlandse Korps Mariniers en een goede
zevenhonderdvijftig opstandige Venezolaanse boeren onder leiding van Sancho
Nobles. Deze bende terroriseerde al maanden lang het kustgebied van Venezuela
en zaaide dood en verderf onder de bevolking. Ze noemden zich “Het leger van de
Revolutie” en die revolutie dreigde over te slaan naar het olie eiland Curaçao.
Dat moest natuurlijk voorkomen zien te worden. Ook de regering van de Verenigde
Staten wilde beslist geen opstand in haar achtertuin en had een compagnie
mariniers gestuurd om in te grijpen. De militaire bevelhebber van het eiland
had een peloton Nederlandse mariniers meegestuurd met de Amerikaanse compagnie
mariniers, en omdat Peter de enige officier was op de marine basis was die
zowel Engels als Spaans sprak, was hij, als vlootofficier, gedetacheerd bij de
mariniers als hun commandant. De compagnie Amerikanen had onder leiding gestaan
van Eerste luitenant der mariniers Smedley D. Butler en die had zijn troepen
goed geleid. Ze hadden de opstandelingen opgespoord en Butler had de aanval
geleid. Slecht vijf mariniers waren gedood, een Nederlandse korporaal was
gewond en toen de kruitdampen waren opgetrokken lagen er zo’n honderdzestig
“bandidos” dood of zwaargewond rond het kleine dorpje San Martin, waar ze
Nobles hadden aangetroffen. Nobles werd gearresteerd en aan de Venezolaanse
regering overgedragen en was drie dagen later opgehangen. En niet aan de regering
van de VS, zoals officieel vermeld stond. Butler had hier zijn
‘veldbevordering’ tot kapitein aan te danken.
Hij schrok op uit zijn herinneringen
toen de majoor verder ging: ‘Goed, heren. Jullie zijn dus, bij deze,
aangenomen. Gefeliciteerd en ik zal alle papierwerk op me nemen om jullie
promotie er door te drukken. Dat zal moeilijk zijn, hoor, in deze crisistijd.
Maar Hare Majesteit maakt zich echte zorgen over het gedrag van onze
oosterburen. Daar is nu dat mannetje Hitler aan de macht gekomen. Ik neem aan
dat ik daar verder geen woorden meer aan hoef te verspillen, toch? Het is een
fanatiekeling, die, in mijn gedachten, zijn land, maar ook Europa, wel eens in
het verderf zou kunnen gaan storten. Willemien wil dus een sterker leger en een
beter uitgeruste Marine. Maar ja, Willemien is de regering niet en zolang
Colijn, die “slager van Atjeh”, nog eens een zoveelste kabinet als minister
president zal leiden, zal daar geen ene moer van terecht komen. Maar,
onderhuids, illegaal zeg maar, kunnen we heel wat doen. We gaan geen soldaatjes
of matrozen extra oproepen, daarvoor is er geen geld. Maar we gaan wel onze
diensten uitbreiden, overigens ook zonder extra personeel. Kijk, Winkelman,
jouw bataljon zal waarschijnlijk wegbezuinigd gaan worden. En ook bij de vloot
verdwijnen er nog meer functies. Dus vandaar dat we G 3 nu uit zullen breiden
met jullie twee officieren. Maar ik kan niet verkopen tegen de minister van
oorlog, dat ik de afdeling groter maak. Maar dat ik een subafdeling opricht,
kijk, dat hoef ik dus niet te melden, begrijpen jullie? Die onderafdeling
noemen we, in het geniep dus G 3 S. Die S staat voor stiekem. Want, mijne
heren, formeel bestaan we niet. Ik heb zo ook nog een Sergeant-majoor schrijver
van de Marine er bij kunnen regelen, de man zit een jaar of twee voor zijn
pensioen, maar zijn vrouw, een Indisch meisje dat hij had meegenomen na zijn
repatriëring uit de Oost, kon hier helemaal niet wennen. Ze stierf aan TB, ja
zielig zat natuurlijk en hij is dus net weduwnaar geworden en wilde nog een
tijd aan de wal geplaatst blijven om voor zijn nog vrij jonge kinderen te
zorgen. Ik heb ook nog een Korporaal codeur van het leger in gehuurd. Hij moest
vanwege zijn geestelijke gezondheid de dienst uit, maar de arts van zijn
Bataljon wilde hem nog aanhouden om te zien of het op een stafbureau beter zou
gaan en dan hebben we nog de jonge Pieterse een dienstplichtige, maar die is
niet helemaal op het pad, om het zo maar te zeggen. Dus, mijn staf bestaat uit,
zeg maar, een zooitje ongeregeld. Tja, dat is het voorlopig. Gefeliciteerd
heren en de Sergeant-majoor zal, na het papierwerk dat ik gedaan heb, alles met
jullie administratief afhandelen. Vanaf de eerste van de volgende maand krijgen
jullie een drie maanden durende intensieve opleiding. Halen jullie die, dan
zijn jullie mijn mannen! Succes!’
Zo waren ze hun dienst bij de GIIIS
begonnen.