vrijdag 30 december 2016

Het Slagkruiserplan (5)



‘Goed, verder. Luitenant ter Zee der tweede klasse Peter Neelissen, geboren vijftien augustus 1900 in Assen. Wat mot een Drent in Godsnaam bij de Marine? Klas van ’20 bij het “Instituut”.’ Hij grinnikte. ‘Tja, bij ons heet dat een Academie maar bij de Marine schijnt dat een Instituut te zijn. Jullie zeelui! Maar geen ereplaats, lees ik, middelmaat van de klas, geen opvallende zaken, hoewel, de affaire met de dochter van de commandant van de Bandung toch wel wat was, niet?’ Hij zag dat de marineman kleurde en grinnikte in zichzelf. Verrekte jonge honden, dacht hij, toch heerlijke tijden, die studietijd. ‘Navigatie officier als specialisatie en ook verbindingen? Gevaren op pantserschepen in de Oost en in ’32 in de West. Zelfs het commando gehad over een havenmijnenlegger, Hare Majesteit ’s De Winter.’ Hij keek, vanonder zijn borstelige wenkbrauwen, vragend naar de marine officier. ‘Havenmijnenlegger? Wa’s dat nu weer? Nee. Laat maar dat wordt te technisch. Vertel dat nog maar eens. Hm, heel wat van de wereld gezien, dus. In ‘32 in Venezuela gedropt met een peloton mariniers door een schoenertje en, met Amerikaanse mariniers van de First Marine Division op jacht geweest naar de opstandelingenleider Nobles. Deze is opgepakt na, wat ik uit de woorden van het verslag begrijp, “een schotenwisseling”? Tja, dat staat fraai verpakt. “Een schotenwisseling”. Daarna is dit fraaie heerschap uitgeleverd aan de Verenigde Staten. Dat is een goede zaak geweest. Het heeft de rust in de Caraïben weer teruggebracht en de politieke situatie op Curaçao en Aruba gestabiliseerd.’
Peter Neelissen huiverde even toen hij terugdacht aan wat hij in zijn rapport een “schotenwisseling” had genoemd. In wezen was het een vuurgevecht van wel een half uur geweest. Een vuurgevecht tussen de vijftiende compagnie van het derde bataljon van het US Marine Corps ondersteund door een peloton van het Nederlandse Korps Mariniers en een goede zevenhonderdvijftig opstandige Venezolaanse boeren onder leiding van Sancho Nobles. Deze bende terroriseerde al maanden lang het kustgebied van Venezuela en zaaide dood en verderf onder de bevolking. Ze noemden zich “Het leger van de Revolutie” en die revolutie dreigde over te slaan naar het olie eiland Curaçao. Dat moest natuurlijk voorkomen zien te worden. Ook de regering van de Verenigde Staten wilde beslist geen opstand in haar achtertuin en had een compagnie mariniers gestuurd om in te grijpen. De militaire bevelhebber van het eiland had een peloton Nederlandse mariniers meegestuurd met de Amerikaanse compagnie mariniers, en omdat Peter de enige officier was op de marine basis was die zowel Engels als Spaans sprak, was hij, als vlootofficier, gedetacheerd bij de mariniers als hun commandant. De compagnie Amerikanen had onder leiding gestaan van Eerste luitenant der mariniers Smedley D. Butler en die had zijn troepen goed geleid. Ze hadden de opstandelingen opgespoord en Butler had de aanval geleid. Slecht vijf mariniers waren gedood, een Nederlandse korporaal was gewond en toen de kruitdampen waren opgetrokken lagen er zo’n honderdzestig “bandidos” dood of zwaargewond rond het kleine dorpje San Martin, waar ze Nobles hadden aangetroffen. Nobles werd gearresteerd en aan de Venezolaanse regering overgedragen en was drie dagen later opgehangen. En niet aan de regering van de VS, zoals officieel vermeld stond. Butler had hier zijn ‘veldbevordering’ tot kapitein aan te danken.


Hij schrok op uit zijn herinneringen toen de majoor verder ging: ‘Goed, heren. Jullie zijn dus, bij deze, aangenomen. Gefeliciteerd en ik zal alle papierwerk op me nemen om jullie promotie er door te drukken. Dat zal moeilijk zijn, hoor, in deze crisistijd. Maar Hare Majesteit maakt zich echte zorgen over het gedrag van onze oosterburen. Daar is nu dat mannetje Hitler aan de macht gekomen. Ik neem aan dat ik daar verder geen woorden meer aan hoef te verspillen, toch? Het is een fanatiekeling, die, in mijn gedachten, zijn land, maar ook Europa, wel eens in het verderf zou kunnen gaan storten. Willemien wil dus een sterker leger en een beter uitgeruste Marine. Maar ja, Willemien is de regering niet en zolang Colijn, die “slager van Atjeh”, nog eens een zoveelste kabinet als minister president zal leiden, zal daar geen ene moer van terecht komen. Maar, onderhuids, illegaal zeg maar, kunnen we heel wat doen. We gaan geen soldaatjes of matrozen extra oproepen, daarvoor is er geen geld. Maar we gaan wel onze diensten uitbreiden, overigens ook zonder extra personeel. Kijk, Winkelman, jouw bataljon zal waarschijnlijk wegbezuinigd gaan worden. En ook bij de vloot verdwijnen er nog meer functies. Dus vandaar dat we G 3 nu uit zullen breiden met jullie twee officieren. Maar ik kan niet verkopen tegen de minister van oorlog, dat ik de afdeling groter maak. Maar dat ik een subafdeling opricht, kijk, dat hoef ik dus niet te melden, begrijpen jullie? Die onderafdeling noemen we, in het geniep dus G 3 S. Die S staat voor stiekem. Want, mijne heren, formeel bestaan we niet. Ik heb zo ook nog een Sergeant-majoor schrijver van de Marine er bij kunnen regelen, de man zit een jaar of twee voor zijn pensioen, maar zijn vrouw, een Indisch meisje dat hij had meegenomen na zijn repatriëring uit de Oost, kon hier helemaal niet wennen. Ze stierf aan TB, ja zielig zat natuurlijk en hij is dus net weduwnaar geworden en wilde nog een tijd aan de wal geplaatst blijven om voor zijn nog vrij jonge kinderen te zorgen. Ik heb ook nog een Korporaal codeur van het leger in gehuurd. Hij moest vanwege zijn geestelijke gezondheid de dienst uit, maar de arts van zijn Bataljon wilde hem nog aanhouden om te zien of het op een stafbureau beter zou gaan en dan hebben we nog de jonge Pieterse een dienstplichtige, maar die is niet helemaal op het pad, om het zo maar te zeggen. Dus, mijn staf bestaat uit, zeg maar, een zooitje ongeregeld. Tja, dat is het voorlopig. Gefeliciteerd heren en de Sergeant-majoor zal, na het papierwerk dat ik gedaan heb, alles met jullie administratief afhandelen. Vanaf de eerste van de volgende maand krijgen jullie een drie maanden durende intensieve opleiding. Halen jullie die, dan zijn jullie mijn mannen! Succes!’

Zo waren ze hun dienst bij de GIIIS begonnen.

maandag 26 december 2016

Het Slagkruiserplan (4)



2. Den Haag, oktober 1934

Twee officieren liepen door de lange gangen van het gebouw van het Ministerie van Defensie, zoals het departement nu alweer een jaar of zeven heette, aan het Plein in Den Haag. Hun stappen klonken hol op de kale stenen van de gang. Het oude logement dat ooit afgevaardigden van de stad Rotterdam herbergde, was dan wel een aantal malen vergroot en verbouwd, maar de gangen leken nog steeds op tochtgaten en ze waren niet warm te stoken ook. Hoewel het pas oktober was, was het al flink koud. De beide mannen rilden wat in hun duffelse jekkers. De ene officier droeg het veldgrijze uniform van een Kapitein van de Infanterie, de andere het donkerblauwe kamgaren van de Koninklijke Marine.
Ze waren allebei even oud en van gelijke rang, de marine officier was Luitenant ter zee der Tweede klasse, een rang gelijk aan die van Kapitein, maar verder hield dan ook elke gelijkenis op. Was de landmacht man lang en hoog opgeschoten, met een kort kapsel, een blonde kuif en een blik die goedmoedig, zo leek het, de wereld inkeek, de Marine man was vrij kort en wat gedrongen, en was bezig een buikje te ontwikkelen. Hij was donkerharig en zijn haarlengte was niet volgens de strenge voorschriften. Ze krulde bijna over zijn oren. Hij had een vol, bijna rond gelaat met scherpe, pientere blauwe ogen.
De kapitein was vierendertig en de luitenant ter zee was een jaartje ouder. Beide waren ze, natuurlijk, beroepsofficieren en waren in hetzelfde jaar tot officier benoemd, nu alweer veertien jaar geleden. De bevorderingen waren traag in deze moeilijke jaren en ze waren al lang blij dat ze, onafhankelijk van elkaar, hadden gesolliciteerd naar de banen die ze nu hadden. Ze hadden elkaar pas leren kennen in een eerste sollicitatie ronde en, hoewel ze verschillende karakters en heel verschillende achtergrond hadden, hadden ze elkaar gelijk gemogen. Ze waren nu beide stafmedewerkers van de afdeling G III, de inlichtingendienst van het ministerie van Defensie. Een afdeling die rechtstreeks onder de minister ressorteerde. Het was een kleine dienst, met slechts een tiental medewerkers.
De sollicitatieprocedure naar deze baan was vrij langdurig geweest. Op de geschreven sollicitatie was een lang gesprek gevolg, hier in Den Haag, met majoor Witten, het hoofd vaan de sectie en natuurlijk was er een uitgebreid antecedenten onderzoek naar hen gedaan. De redenen voor hun respectievelijke sollicitaties waren natuurlijk vrij simpel en snel uitgelegd. Hoewel ze, onafhankelijk van elkaar, bijna in dezelfde bewoordingen hadden verklaard dat ze het vaderland ook in deze functie wilden dienen en, daar er geen echte vijand voor de deur stond, ze zo de oorlog maar opzochten, had majoor Witten daar door heen gekeken.
‘Die motivatie van jullie is gelul, heren, zeg ik het maar kort en bot. Jullie willen de naast hogere rang behalen, promotie maken, da’s mij wel duidelijk. En de enige manier om dat te doen is om hier te solliciteren. Nu, haal de vingers maar uit jullie kont: die gun ik jullie. Met ingang van de eerste van de volgende maand zijn jullie bij de sectie in dienst in die naast hogere rang. Zelf heb ik ook jaren moeten sukkelen als loopjongen van een of andere overste voor ik mijn kapiteinsrang behaalde, dus ik begrijp jullie beweegredenen volkomen. Maar dat is natuurlijk niet de reden, dat jullie hier zijn beland. Na gedegen onderzoek van jullie conduitestaten, zijn jullie de twee meest geschikte kandidaten gebleken. En we hadden er heel veel, hoor, maar dat spreekt. Maar, zoals gezegd, en dat gaf de doorslag zeker bij de minister, jullie hebben beiden ervaring met geheime missies, heb ik begrepen.’


Hij bladerde wat in zijn papieren en hernam het gesprek: ‘Eerste luitenant Eduard Winkelman, geboren de dertiende april 1901 te Berlijn, klopt dat?’ ‘Ja, dat is correct, majoor, mijn vader was daar..’ ‘Militair attaché, ja, dat weet ik. Goed, afgestudeerd jaargang ’20 als derde van zijn jaar aan de Academie. Indrukwekkend. Ik ben als voorlaatste geslaagd, klas van ’13. Daarom mocht ik vier jaar in Brabant doorbrengen, bij het veldleger, maar goed, dat waren andere tijden. Scherpschutter op alle wapenen, da’s fraai. Hm, dienst bij het veldleger en bij de vestingtroepen, en eh, even zoeken, ja, hier heb ik het. Ik lees hier dat eerste luitenant Winkelman in ’31 op missie was in Albanië? De affaire Krijger zeker? Ja, dacht ik al. Ja, die Krijger diende nog onder Colijn in Atjeh en nu is de neef van Willemien koning van Albanië. Nou, dan weet je het wel, natuurlijk. Maar, daar heb je een fraai rapport over geschreven, mijn jongen, zeer fraai. Een ingewikkelde zaak, heb ik altijd gevonden. Je hebt er zelfs nieuw licht in kunnen brengen, lees ik. Hij is niet van voren getroffen, heb je geconstateerd. Nou dan hebben die verrekte patjepeeërs hem zelf vernaggeld, toch?’ Hij glimlachte in zichzelf alsof een vermoeden dat hij had gehad was uitgekomen.