Voor
Mia Rosie
Met
dank aan Huub en Wilma, voor het meelezen.
Proloog,
najaar 1934.
Het was typisch herfstweer. Regen
kletterde hard tegen de ramen en een stormachtige wind waaide de laatste
bladeren van de kastanjebomen die het statige pand omringden. Het licht in de
kamer was al aan hoewel het net drie uur was en de man, die achter de
schrijftafel zat, had zelfs de bureaulamp aangedaan. Deze wierp een scherp wit
schijnsel op het volgeschreven blad papier dat voor hem lag.
De man met het scherp gesneden
gelaat en met de wat haakse neus las de brief die hij net beëindigd had, nog
een keer door, knikte nadenkend en met gefronste wenkbrauwen voor zich uit dat
het zo goed was en schroefde de dop van zijn vulpen. Hij ondertekende de brief
met een paar nijdige halen, nam vervolgens een vloeistempel en droogde de inkt
zorgvuldig.
Hij legde de brief in de bovenste la
van zijn bureau. Daarna sloot hij de la zorgvuldig af, hoewel hij helemaal niet
van plan was om het vertrek te verlaten. Maar, de brief was dan ook meer dan
strikt geheim. Er waren slechts twee mensen op de hoogte van die brief. Het zou
voor beiden het einde betekenen als ook maar iemand een glimp van de brief zou
opvangen. Sterker, er mocht zelfs niemand een idee krijgen dat die brief
bestond.
Het zou alles wat zij beiden de
laatste jaren zo zorgvuldig hadden opgebouwd, met één slag teniet doen. In één
keer zouden al hun ideeën en al hun idealen worden vernietigd. Het uitlekken van het bestaan van
de brief zou voor hen beiden kunnen leiden tot gevangenisstraf, of erger. En
geen geringe gevangenisstraf, dacht hij grimmig. Sterker, niet alleen zou het
onvoorwaardelijke gevangenisstraf kunnen betekenen, daar was hij ondertussen
wel zeker van, maar misschien kon het zelfs lijden tot de doodstraf. Die straf
werd dan wel niet meer voltrokken, maar ze was ook niet geschrapt uit de
wetboeken en voor de zaken die hij in de brief had voorgesteld natuurlijk
helemaal niet. Nu hij dan toch zover was, “nu de teerling eenmaal was
geworpen”, dacht hij, was hij toch wel wat trots op zichzelf omdat hij het aan
had gedurfd, nee de grote moed had gehad en zo’n duidelijke brief had
geschreven en ondertekend. Maar nu hij, mede uit naam van hem, zo ver was dat
hij deze actie had genomen en de gedachte, nu alweer een maand of wat geleden
die bij hen tweeën was gaan leven, had geconcretiseerd, voelde hij toch opeens
een vaag en onderhuids soort berouw.
Nee, berouw, nee, dat was het juiste woord ook niet, maar een gevoel dat hij
zich met die actie, nee hen beiden natuurlijk, bewust weg had gewerkt uit deze
maatschappij en daardoor ook had geïsoleerd uit de samenleving.
Maar ook voelde hij iets van
wroeging, want dat wat hij nu op het punt stond te doen, druiste helemaal in
tegen de leer van zijn geloof. Dat geloof, en in het bijzonder de verkondigers
van dat geloof, hadden hem zijn hele leven ingeprent dat de handeling die hij
zojuist had verricht en die hij enkel nog moest gaan afmaken om de zaak af te
ronden, fel indruiste tegen de leer van de kerk.
Maar, het was nu in het belang van
hún geloof, van hún gedachtengoed en waar zij en hun duizenden, misschien, nee
wel zeker, tienduizenden volgelingen voor stonden. Het was voor de goede en de
grote zaak, die zaak die ze nu al jaren zo vol enthousiasme dienden, de zaak
die hen naar de top zou brengen in het naderende conflict. Dat conflict kon en
mocht niet meer uitblijven, en zou ook niet meer uitblijven, daar waren de
tekenen te duidelijk voor. Ondanks de onschuldige jonge levens die het zou
kosten. Het zou de samenleving uiteindelijk reinigen en op het juiste pad
brengen. Een pad dat al decennia door de leiders van die samenleving verlaten
was.
Hij nam de telefoon en draaide een
kort nummer. Een nasale stem aan de andere kant nam op.
‘De brief is af’, zei hij. ‘Wil je
hem nog eens lezen?’ Hij luisterde en verbrak de verbinding. Hij ontsloot de
bureaulade, haalde brief tevoorschijn en vouwde die zorgvuldig op en stak haar
in een blanco envelop en verzegelde haar. Hij had het adres reeds ingevuld.
Hij nam weer de telefoon en even
later kwam een man in een leren motor pak de deur van zijn bureau binnen. De
man gaf de brief aan hem. De motorrijder keek naar het adres, keek even
verwonderd naar de man achter het bureau, maar stak, zonder commentaar of
vragen, de brief in zijn brieventas en verliet, klotsend op zijn zware laarzen,
het vertrek.
De man achter het bureau zuchtte
diep en leunde achterover in zijn bureaustoel en merkte dat zijn handen
trilden.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten