5. Amsterdam, dinsdag 5 februari
1935, later die ochtend
De kamer van de hoofdingenieur werd
zoveel mogelijk gereed gemaakt om er ongestoord een aantal ondervragingen te doen.
Ed en Peter hadden gedurende hun inderdaad zware opleiding die
ondervragingstechnieken geleerd van een oud hoofdinspecteur van de Haagse
politie. Niet dat ze dachten scherp te moeten ondervragen, er was geen moord
gepleegd natuurlijk, maar de oud politieman had hun wel een aantal goede trucs
en tips aan de hand gedaan. Zo konden ze “goed en fout” spelen, waarbij de ene
man aardig en vriendelijk was en zo de ondervraagde op zijn gemak stelde en de
ander kon dan opeens boos, kwaad en bars uit de hoek komen en zelfs, door
bijvoorbeeld met zijn vuist op tafel te slaan, de ondervraagde schrik aanjagen
en zo loslippig maken.
Maar vandaag was dat allemaal minder
nodig. Ze hadden, na de heer Geelhorst zelf, die niets bijzonders te verklaren
had, verder dan dat hij hen al had verteld, als eerste de ingenieur Lammers
ondervraagd. Maar ook hij kon niet meer te vertellen dan dat hij de kluis had
aangetroffen zoals hij dat al aan zijn chef had laten zien. Rond het middaguur
hadden ze alle vijf ingenieurs en de twee typistes ondervraagd en trokken de
mannen hun dikke wintermantels weer aan en verklaarden aan de heer Geelhorst
dat ze de volgende dag terug zouden komen om nader onderzoek te verrichten. Hun
magen knorden en Peter zei dat ze eens zouden aanleggen bij een Chinees
restaurant in de Binnen Bantammerstraat om een lekkere Nasi Goreng te eten. Ze
liepen via oude grachtjes die stonken naar uitwerpselen en bederf naar een
klein pandje waar een bord met Chinese karakters uithing. Ze daalden een klein
trapje af en kwamen in het souterrain. Op een paar oudere Chinezen die hun
haren nog in vlechten droegen na, was het leeg in de zaak. Het rookt er naar
kruiden en vis en andere en ondefinieerbare zaken. Waarschijnlijk was Peter
hier bekend, want hij riep een naam: ‘Wu, aannemen’, en even later kwam er een
klein Chinees vrouwtje aantrippelen dat buigend en glimlachend een tafeltje
vrij maakte en hen uitnodigde plaats te nemen. Geduldig wachtte ze tot de twee
mannen hun bestelling plaatsen. Iets later hadden ze beide een schaal dampende
en geurige Nasi Goreng en een biertje naast hun bord staan. Ed at voorzichtig
van het kruidige gerecht. In tegenstelling tot Peter, die de Chinees/Indische
keuken vanuit de Marine en de Oost gewoon was, was de jonge luitenant
opgegroeid met Rats, Kuch en bonen, zoals een populair liedje ging. Maar het
eten smaakte hem wonderwel en ook de sambal die Peter naar hartenlust nam, kon
hem wel bekoren, maar de in zuur ingelegde pepertjes liet hij aan zijn vriend.
Na de eerste happen, trok Peter, een zacht boertje latend, zijn zakboekje
tevoorschijn, zocht de bladzijden op waarop hij de notities had gemaakt tijdens
de ondervragingen en streek de rug van het aantekenboekje recht.
‘Ik wil wel even één ding als eerste
stellen, Ed. Ik geloof niet dat het een kraak van binnen uit is geweest. Ik
bedoel dat er geen mensen van het bureau dit gedaan hebben. Weet je, er is,
volgens Geelhorst, maar één sleutel van die kluis. Die wordt ’s avonds door hem
zelf thuis opgeborgen en dan ’s morgens tevoorschijn gehaald. Ik geloof niet
dat iemand ongemerkt de sleutel zou kunnen lenen, om het maar zo te zeggen, om
er een afdruk van te laten maken. Goed, goed, ik geef toe, zeg nooit “nooit”,
maar ik geloof er niet zo in, als ik eerlijk ben. De reserve sleutel berust ook
bij Van Geelhorst en die heeft hem dus thuis in zijn kluis liggen.’ Ed knikte:
‘Ik geloof ook niet dat die Geelhorst het idee zou hebben gehad om de plannen
te stelen, of de sleutel na zou hebben laten maken. Dan zou hij meteen
hoofdverdacht nummer één worden. Nee, ik denk dat je gelijk hebt. Maar ga even
verder over wat we wel weten en over wat we wel gehoord hebben.’ Uit de
richting van de keuken klonk hel gelach en het gesnater van Chinees sprekende
stemmen. De deur ging open en twee aangeschoten zeelui kwamen stommelend het
vertrek binnen en namen luidruchtig plaats. Wu schoot toe om hun bestellingen
op te nemen.
Peter nam zijn boekje weer in zijn
hand, dronk een slokje van zijn bier en liet weer een boertje. ‘Sorry hoor,
maar die nasi goreng is heerlijk, vindt je niet? Dit is een toptentje joh,
echt. Maar goed. Als eerste hebben we die Lammers gesproken, Hm, even zien,
geboren te Dordrecht, in maart ’03, middelbare school ook in Dordrecht, daarna
naar Delft en daar in ’28 afgestudeerd. Wat banen bij andere scheepswerven,
maar door de ‘krach’ niet echt aan de bak gekomen. Solliciteerde dan bij
NEVESBU in, even zien, oh ja, dat was het vorige jaar en hij werd door
Geelhorst ingehuurd. Geen verleden wat politie aanrakingen of justitie betreft,
maar daar zetten we onze korporaal in Den Haag nog wel op, die pluist die zaken
wel uit, via het hoofdbureau van politie. Hij vertelde tijdens onze
ondervraging hetzelfde verhaal zoals hij dat die ochtend al deed. Hij kwam
binnen, hing hoed en jas weg, deed z’n overschoenen uit. Overschoenen? Raar.
Die dingen dragen toch alleen oudere mannen? Nou ja, ijdel of zuinig op zijn
schoeisel, waarschijnlijk. Dan schonk hij koffie in en terwijl die afkoelde
liep hij naar de kamer met de brandkast. De sleutel, hé, waar was die dan? Oh
ja, Geelhorst was een minuut na hem binnen gekomen, lees ik, dus de sleutel
kreeg hij van de chef de bureau. Goed, hij maakte de brandkast open en haalde
de diverse plannen er uit. Er lagen op dat moment drie ontwerpen in de safe,
klopt dat?’ ‘Ja, dat klopt’, antwoorde Ed, ‘dat van die Duitse onderzeeër, een
eerste opzet, zeg maar ruwe schets, van een Nederlandse kruiser die de Eendracht moet gaan heten en dan onze
plannen, zeg maar.’ Peter knikte. ‘Ja, dat is zo, naast het ontwerp van die
brug voor de Shell, verder niets. Goed. Hij haalt dus de plannen tevoorschijn
en ziet meteen dat ‘onze plannen’, zoals jij ze noemt, verdwenen zijn. Hij
schrikt zich rot, vertelt hij, kijkt nog eens voor alle zekerheid in de overige
vakken, maar nee, niks van dat alles. Hij rent dan naar Geelhorst, die vertelt
dat ‘ie zich ook rot geschrokken is en samen met Lammers kijken ze de kluis nog
eens na. Maar, zoals gezegd, niks, niemendal.’
‘Tja, en dan belt Geelhorst rond
negen uur naar Den Haag, waar de minister nog niet is gearriveerd. Hij besluit
dan om de kamer te verzegelen, want hij beseft verrekte goed dat er speurders
op af gaan komen die sporen willen ontdekken. Dan belt hij nog een paar keer en
pas rond twee uur in de middag is de minister er eindelijk wel. Ik ga een stelling
poneren, Peter. Luister goed. Stel dat Lammers die ochtend de kluis opende, de
plannen tevoorschijn haalde en ze ergens in die kamer verborg, dat is het werk
van een ogenblik. Hij kent de weg daar en kan in die kamer alleen al tien
verstop plekken vinden of bedenken. Dan heeft hij, vanaf het moment dat hij
samen met Geelhorst de kamer weer betrad en weer verliet, tot het moment dat
Geelhorst de kamer verzegelde, zeker een uur de tijd gehad om de plannen ergens
anders in het gebouw te verstoppen of aan een of andere handlanger af te
geven.’
‘Ja, en toen wij vanmorgen
arriveerden was de kamer nog verzegeld. Ik vraag me af hoe groot zo’n pak
plannen eigenlijk is. Ik bedoel, zou je het onder je vestje kunnen schuiven?
Hm, morgen eens kijken. Ja, dat is een idee, laten we dat vasthouden. Maar zijn
motief? Nou ja, we trekken de man morgen wel na via het hoofdbureau van politie
in de stad. Witten heeft trouwens net getelegrafeerd om ons volledige
medewerking te geven, zonder het doel en de reden van ons verzoek om hulp te
verklappen, overigens.’ Ze aten nog even zwijgend verder, bestelden nog een
glas bier en lieten hun gedachten gaan over de ochtend. Peter hernam: ‘Maar ik
wil even de andere ondervragingen snel met je doornemen. Ten eerste: Geelhorst,
zijn verhaal hebben we gehoord en de ontsteltenis van de man was dermate groot,
dat ik niet meen dat hij iets met dat nare zaakje te maken heeft, eerlijk
gezegd. Goed, dan hebben we nog mijnheer nummer drie, mijnheer Vink. Geboren in
1889, diende in de oorlog als kapitein van de Genie, in dienst bij NEVESBU
sinds ’19. Getrouwd en woont in Nieuwendam? Waar is dat Ed, dar ben ik vergeten
op te schrijven?’ ‘Oh’, wist zijn vriend, ‘een landelijk vissersdorpje aan de
overkant van het IJ.’
‘Bon, nu ja, de man lijkt me boven
elke verdenking verheven. Hij is ook nog eens ouderling in de kerk, nee, geen
heet spoor. Vind je ook niet?’ De kapitein schudde van nee, ook hem leek het
vergezocht. ‘Verder, nummer vier. De heer Kahn. Een Duitse mijnheer, geboren in
Potsdam in 1902, die een jaar geleden in dienst trad. Volgens hem is hij met
zijn vrouw en dochtertje gevlucht voor het bewind van de nieuwe Rijkskanselier,
de heer Hitler.’ Peter grinnikte wat: ‘ Wist jij trouwens Ed, dat die Hitler
eigenlijk helemaal geen Hitler heet? Nee, hij is geboren als Schiklgruber, of
zoiets. Maar ja, dat is niet echt een naam voor een politicus, toch? Stel dat
je: ‘Heil Schiklgruber’, zou moeten roepen, dan zou je in de lach schieten.’
Ed grijnsde toen hij dat beeld voor
zich opriep.
‘Maar waarom zou die Kahn dan
vluchten voor Hitler?’ wilde hij weten. Peter keek op van zijn boekje: ‘Nou,
hij is een Jood, ik keek in zijn pas. Ik stelde die vraag ook aan hem, en hij
beweerde dat Hitler en zijn Nazi kliek de wereld pas een betere wereld vonden als
er totaal geen Joden meer zouden bestaan. Hij vertelde iets over
concentratiekampen, maar wat dat nu precies zijn, dat weet ik niet. Nou ja, van
de Boerenoorlog, natuurlijk, maar dat is al weer dertig jaar geleden. We vragen
het hem nog.’
Ze bestelden nagerecht en koffie,
die prompt werden gebracht. ‘Dan hebben we nog mijnheer Den Besten. Een wat
schichtig mannetje, vond ik. Hij is van 1899, te laat om opgeroepen te worden
voor de mobilisatie, en hij stamt uit Limburg en, oh ja, hij heeft een Duitse
moeder. Hij heeft een paar jaar in München gewoond, lees ik. Dat is de stad van
Hitler, toch? Nu ja, dat kan ook op niets duiden, ’t is een miljoenenstad,
immers? Hij werkt nu alweer tien jaar bij de firma. We zullen ook hem na laten
gaan en kijken waarom hij zo schichtig is.’ Hij klapte zijn aantekenboekje toe.
‘Tja boy, dan denk ik dat het tijd is om af te rekenen en om op te krassen. Ik
ga vanaf met Daantje naar de film. Cleopatra
draait in de Roxy en het vrouwtje zeurt me al weken aan mijn kop, dus ik
geef maar toe.’ Peter was sinds een jaar getrouwd met Diana van Berkel een telg
uit een roemrijk ondernemersgeslacht. Zij had nog wat geld binnen gebracht in
hun huwelijk en hoewel Peter daar absoluut niet aan wou, moest hij toch
toegeven dat het leven met een klein marine traktement op deze manier aardig
verlicht werd. Ed, die nog steeds vrijgezel was, hoewel hij genoeg terloopse
vriendinnetjes had, maakte de befaamde Haagse grap over de drie bioscopen van
de residentie: ‘Als ik Flora onder
haar Roxy, denk ik: ha, daar City’.
Ze grijnsden als schooljongens,
Peter trok zijn portefeuille, een echte leren zag Ed gauw, waarschijnlijk een
cadeau van Daantje en toen hij haar opensloeg viel er een klein papiertje uit,
dat bijna in het lege koffiekopje van Peter was gedwarreld, als die het niet
bliksemsnel had gevangen. Hij hield het kattenbelletje tegen het licht en las:
‘Kom om vier uur voor de ‘Thea’ in
Hotel Polen. Ik heb verdere inlichtingen, E.’
Verwonderd keken ze elkaar aan. ‘E?’
zeiden ze verbaasd, ‘er is onder de mensen die we spraken helemaal geen E!’
Die middag zaten twee net geklede
heren tegen vier uur in de middag in de zaal van Hotel Polen. Ze lazen de
avondbladen, maar hielden de ingang van de zaal nauwlettend in het oog. Er
kwamen heren binnen, in beurskostuum of in stadstenue, er kwamen echtparen
binnen gekleed in avondtoilet die voor hun avondje ‘on the town’, eerst nog wat
wilden eten, maar er kwam absoluut geen heer binnen die voldeed aan het
signalement van een van de medewerkers van NEVESBU.
De heren werden langzaam wat
korzelig en de stevigste van de twee merkte op dat hij zijn vrouw zou gaan
bellen om haar te vragen plaatsen voor de tweede voorstelling te reserveren,
toen hun oog viel op een jonge, knappe brunette. Ze was geheel naar de mode van
dat jaar gekleed. Een deux-piece van een wat onbestemde, haast zeegroene kleur
waarvan de rok tot driekwart van haar fraai gevormde benen viel, een witte
blouse met ruches en een fraaie wintermantel waar de boy haar juist uithielp en
een koket baretje schuin op de golvende en glanzende haardos. Alle heren, al
dan niet vergezeld van hun dames, hielden bijna collectief heel even hun adem
in toen ze de jeugdige vrouw heupwiegend op haar lange slanke benen het vertrek
zagen binnenlopen. In de deur keek ze even om zich heen en, nadat ze zich ervan
overtuigd had dat haar afspraak aanwezig was, zette ze koers naar haar doel.
Dat doel was het tafeltje van de twee heren, die haastig hun kranten opvouwden
en uit de gemakkelijke fauteuils omhoog kwamen. Ze keken verbaasd naar de
verschijning, ze konden haar niet thuis brengen. De vrouw gaf een handje en
zei: ‘Goedenavond heren, ik ben blij jullie aan te treffen.’ Niet begrijpend
keken de heren naar elkaar en naar de prachtige jonge vrouw. Ze boog wat naar
voren en de geur van een subtiel parfum dreef in hun richting. Ze dempte haar
stem en fluisterde: ‘En als ik nu zeg: ‘sautje flauwerikken’, herkennen jullie
me dan wel?’ ‘Juf Antje’, riepen Peter en Ed haast tegelijk. De vrouw lachte
een heldere, schaterende lach.
‘Nee, heren, Inspecteur Ellie
Uitdenboogaard, Rijksrecherche. Mag ik plaats nemen?”