6. Amsterdam, 5 februari 1935,
vroege avond
De heren buitelden haast over elkaar
heen om een stoel aan te schuiven voor ‘het stuk’ zoals Ed de knappe vrouw in
gedachten al betitelde. Toen ze eenmaal zat en uit haar kleine elegante tasje
een sigarettenkoker opdiepte, was Peter er als de hazen bij om haar een vuurtje
te geven. ‘Heren, jullie mogen je monden sluiten hoor! Jullie hebben toch wel
eens vaker een werkend meisje gezien? En ja graag, ik wil wel wat drinken,
hoor!’ Twee monden klapten bijna hoorbaar dicht en Ed had de tegenwoordigheid
van geest om de ober een seintje te geven. Ze bestelden en even later werden de
drankjes gebracht. Peter had als eerste zijn tegenwoordigheid van geest terug
en vroeg: ‘Ik geloof dat we wel een korte uitleg verdiend hebben, mevrouw
Uitdenboogaard?’ ‘Het is mejuffrouw Uitdenboogaard, mijnheer Neelissen,
mejuffrouw nog steeds, hoor. En ja, ik ben jullie een uitleg schuldig.’ Vanuit
zijn ooghoek zag Peter dat Ed als een verliefd kalf naar de inspecteur zat te
kijken en ook uit de blik die de jonge vrouw op zijn vriend wierp, sprak wel
enige interesse. ‘Ja, een woordje van uitleg is wel op zijn plaats.’ Ze nam met
een elegant gebaar haar cocktailglas voorzichtig bij de steel en toastte. ‘Op
de kennismaking, heren!’ De beide jonge officieren deden hetzelfde en Peter
stelde voor elkaar te tutoyeren en even later hadden ze voornamen uitgewisseld.
‘Goed
dan, zoals ik al zei, ben ik inspecteur van politie. Dat is niet helemaal het
juiste woord, hoor. Bij onze politie dienen officieel nog steeds geen vrouwen,
net zoals bij Defensie, overigens. Schandalig genoeg, wil ik zeggen, want wij
vrouwen kunnen dingen net zo goed als mannen, misschien soms wel beter. Maar,
soit. Ik ben inderdaad in rang gelijk gesteld aan inspecteur, qua salaris
enzovoort, maar ik ben ‘buitengewoon opsporingsambtenaar’, zoals men dat zo
fraai noemt. Ik zal, nee, ik mag geen straatdienst doen of in een
moordonderzoek fungeren, daar acht men mij, laat ik het anders zeggen, ons,
vrouwen, te zwak voor, maar ik kan wel infiltreren in bedrijven als NEVESBU, om
daar als koffiejuffrouw of ‘tiephitje’ bepaalde zaken waar te nemen of te
beluisteren. Zaken, waarvan de heren, die ik dan ‘beluister’ of liever en beter
gezegd, afluister, denken dat zo’n vrouwtje, ja, ja, zo wordt over ons
gesproken, we zijn maar vrouwtjes!’ (ze spoog dat laatste woord bijna uit) ‘te
dom zijn om er ook maar enige aandacht aan te besteden. Maar, de hoedanigheid
van koffiedame of typiste, zal ik het maar noemen, geeft mij de kans om heel
veel te horen.’
‘Maar
hoe ben je nu zo bij de NEVESBU verzeild geraakt, Ellie?’ vroeg de heer
Winkelman, die, zoals Peter het hoorde, een haast smachtende klank in zijn stem
had. Hij glimlachte voor zich uit. Hij wist dat Ed aan vaste relatie toe was,
in plaats van al die floddermadammen, waar hij mee optrok. Niet dat hij aan de
blikken van de twee veel kon zien, hoor. Maar, hij hoopte vurig dat zijn vriend
een bestendige relatie zou vinden. Hij wist hoe goed en prettig het was om een
relatie te hebben. Het gaf je als man rust om ’s avonds thuis te komen in een
huis waar netheid was en een warme verschijning die je opwachtte en waar je ’s
avonds je vragen en onzekerheden mee kon delen en die je ’s nachts in bed..
Even gleden zijn gedachten weg naar het perfecte lichaam van Daantje, haar
kleine, stevige hoog opgerichte borsten die hij zag als ze in bed stapte, haar
kleine nauwelijks gewelfde buik, haar heerlijke en geheimzinnige ‘poort naar de
hemel’ zoals hij haar geslacht altijd gekscherend noemde, dat zo heerlijk
geurde en zo prikkelend smaakte.
Hij
werd uit zijn erotische dagdroom opgeschrikt door de stem van Ellie, die
antwoorde: ‘Zoals ik al zei: er dienen nu een goede twintig jaar vrouwen bij de
politie, maar we mogen dus geen repressieve taken uitvoeren. Maar, zoals ik ook
al zei, als je geluisterd had, Peter, we mogen wel infiltreren om zaken te,
laat ik het beter zeggen, van binnenuit te bespioneren.’ De zinnen klonken
bits, maar de toon waarop ze zich tegen Ed richtte verzachte dat wel, merkte
Peter op en hij glimlachte voor zich heen. ‘Zoals jullie weten werkt de NEVESBU
voornamelijk voor de Koninklijke Marine. Nu zijn ze druk met dat
slagkruiserplan, maar er is ook voorzien in de bouw van twee kruisers. Jullie
begrijpen natuurlijk als de beste dat dat doelwitten van spionage kunnen zijn.
Nu weet de Amsterdamse politie dat ook verhipte goed en je denkt toch niet dat
commissaris Versteeg dat gedoe in zijn achtertuin wil hé? Want spionage geeft
een heleboel onrust in een stad hoor. Elkaar beconcurrerende clubs van spionnen
die misschien schietend of messen werpend door zijn stad trekken? Dat wilde
Versteeg absoluut niet. De Jordaanoproer is net achter de rug met zijn vijf
doden en tientallen gewonden en de stad is net een beetje tot rust gekomen. Dus
wilde hij, voor de zekerheid, extra toezicht in dat bureau, maar dan ongemerkt
en onopvallend. Nu wilde de minister van Defensie dat natuurlijk ook wel, maar
om daar nu een Defensie man neer te zetten, dat zou te veel opvallen. Zie
alleen maar de reuring die jullie komst vandaag veroorzaakt heeft. Dus werd met
de commissaris afgesproken dat ik zou solliciteren op de functie van koffiedame
en schoonmaakster bij het bureau. Een sollicitatie waar Geelhorst van wist
overigens en waar hij helemaal achter kon staan ook. Ik trad dus een half jaar
geleden of zo in dienst..’ Ze zweeg even omdat de ober een schaal
bittergarnituur neerzette en beleefd boog: ‘Eet U smakelijk mevrouw, en U ook
heren.’ Zijn blik bleef even te lang rusten op Ellie’s decolleté om beleefd te
zijn, vond Peter, maar hij begreep het wel. Ze zag er ravissant uit. ‘.. en ik
kon van een aantal personen, door gesprekken met hen te hebben en met behulp
van hun persoonsdossiers, zowel op het bureau alsmede op afdeling ‘centrale
inlichtingen’ op het HB hun achtergronden en motivaties nalopen. Ik heb
duidelijk en helaas de diefstal niet kunnen voorkomen, maar dat was ook niet
mijn rol, natuurlijk. Verder wist ik dus niet dat jullie vandaag aan zouden
komen voor het onderzoek. Ik kon me natuurlijk moeilijk voorstellen, vanmorgen,
dan zou ik helemaal uit mijn rol getuimeld zijn, begrijpen jullie?’ Peter
knikte, hij begreep het helemaal. Ed knikte ook, maar Peter had niet het idee
dat collega Winkelman helemaal bij de les was.
‘Ik
weet niet precies of jullie al een stap verder zijn, maar ik heb hier wat meer
gegevens. Ik heb in ieder geval drie interessante namen, waarvan ik denk dat
die nog eens aan de tand gevoeld moeten worden. Zullen we die nu doornemen of
liever morgen, als jullie terug komen? Want dat had ik in ieder geval begrepen
uit jullie afscheidswoorden tegen Geelhorst.’