dinsdag 31 januari 2017

Het Slagkruiserplan (10)



Ze liep voor hen aan, een smalle gang door, twee trappen hoog naar een helverlichte kamer aan de voorzijde van het huis. In de kamer bevonden zich vijf grote tekentafels en aan al die tafels zaten heren met gradenbogen en linialen te werken. In het achterste gedeelte van de kamer zaten twee dames te typen.
De heer Geelhorst was een man zoals ze zich ingenieurs hadden voorgesteld. Hij was lang en broodmager, was kalend en had een grijze schippersbaard. Uit de borstzak van zijn witte laboratorium jas staken een aantal potloden. Hij maakte een nerveuze indruk, wat niet zo gek was, onder de omstandigheden. Hij zat achter zijn tekentafel waarop een schets van een onderzeeboot te zien was. Ze stelden zich voor en Geelhorst riep om ‘Koffie juffrouw Antje, graag!’ Hij ging hen voor naar een aparte kamer die duidelijk zijn kantoor was. Er stond een bureau en een paar stoelen en een paar archiefkasten. Op die kasten stonden, in glazen vitrines modellen van schepen die waarschijnlijk ooit door het bureau waren ontworpen. De jonge vrouw die hen net had binnengelaten kwam iets later met geurige en lekkere koffie. “Niet dat jullie het verdiend hebben, hoor, flauwe figuren!’ snibde ze nog. Geelhorst’s blik was vragend, maar de officieren deden met een handgebaar teken dat er niets aan de hand was.
Peter en Ed legitimeerden zich en Peter opende het gesprek door te vertellen dat ze rechtstreeks opdracht hadden van de minister om navraag en naspeuring te doen naar het gebeurde. Maar eerst wilden ze de plaats zien waar de plannen hadden gelegen. Geelhorst ging hen voor naar een zijkamer. De deur naar de gang, de enige toegang tot dat vertrek overigens, was verzegeld. Op hun verantwoording verbrak Geelhorst de zegels. Hij had het vertrek verzegeld, zei hij, omdat hij wel begreep dat er mensen zouden komen die de kamer wilden doorzoeken en hij dus alles in de staat wilde houden zoals hij het had aangetroffen. De officieren knikten goedkeurend. Het vertrek was niet bijster groot, drie bij drie meter ongeveer. De enige toegang tot de kamer was dus de deur waardoor zij net waren binnengetreden en er was ook geen raam. Geelhorst vermoedde dat het ooit als voorraadkamer was gebruikt toen het huis gebouwd was, nu al weer een kleine twee eeuwen geleden. Er stond inderdaad een grote brandkast waarvan de deur op een kier stond. Er waren zo op het eerste oog verder geen sporen van braak te zien. Ze doorzochten de kamer grondig natuurlijk, maar er was verder niets te bekennen, behalve de grote brandkast. ‘Wat denk je Peter, zou het nuttig zijn om vingerafdrukken te laten nemen?’ peinsde Ed. ‘Je hebt gelijk, ik bel straks de majoor en vraag of hij iemand van de Marine recherche langs kan sturen. Hoewel ik vermoed dat de dader handschoenen zal hebben gedragen. En ja, als het een interne medewerker is, dan zullen diens vingerafdrukken niet opvallen. Maar ik bel toch.’
Ze gingen terug naar de kamer waar Geelhorst zijn werkplek had. ‘Goed mijnheer Geelhorst, schiet, zoals ze bij de Engelsen zouden zeggen. Vertel het verhaal maar.
Maar, voor U begint, ik zie daar een tekening van een onderzeeboot, maar het lijkt me niet een van de onzen?’ vroeg Peter, nadat hij de tekening even had bekeken.
‘Nee, dat ziet U goed. Het is een tekening voor een onderzeeër voor het Duitse rijk, een type VII, zoals wij dat noemen. Een zeegaande boot, natuurlijk.’
‘Maar ik dacht dat de Duitsers door het verdrag van Versailles helemaal geen U-boten meer mochten hebben?’ vroeg Ed. ‘Ja, mijnheer Winkelman, dat is helemaal correct. Maar in de loop van dit jaar zal dat verbod worden opgeheven. Ziet U, dit zijn maar tekeningen en geen echte schepen, begrijpt U? En of we nu tekeningen van schepen voor ons land maken of voor de Duitsers, is ons om het even. Het is crisis en met het ontwerpen van schepen voor onze Marine alleen houden we geen mensen aan het werk.’
Ze namen plaats aan het bureau van Geelhorst en, nadat ze de heerlijke koffie hadden geproefd, staken ze alle drie een rokertje op. Geelhorst vertelde in het kort wat er was gebeurd en dat was niet zo veel te noemen. Zoals aan het einde van elke zaterdag morgen waren de afgelopen zaterdag dezelfde routine handelingen uitgevoerd. Om twaalf uur werden alle vertrouwelijke en geheime plannen opgevouwen of opgerold en onder toezicht van de oudst aanwezige ingenieur, in dit geval Geelhorst zelf, in de daarvoor bestemde vakken in de brandkast gestopt. Die was vervolgens op slot gedaan en de sleutel had Geelhorst dan meegenomen. Toen de mensen vanmorgen aan het werk wilden gaan, had de medewerker, die de tekeningen uit de safe moest halen, de ingenieur Lammers, de brandkast open aangetroffen. Hij had onmiddellijk alarm geslagen en Geelhorst geroepen. ‘We willen die mijnheer straks als eerste spreken, natuurlijk’, zei Peter, ‘heeft die mijnheer Lammers zelf nog in de safe gekeken om te zien wat er verder vermist was?’ ‘Nee, dat niet’, antwoorde de chef, ‘hij heeft mij meteen geroepen en ik heb geconstateerd dat het alleen om de bewuste plannen ging.’ ‘Hoeveel tijd zat er tussen het openen van de safe en zijn waarschuwing?’ wilde Ed weten. ‘Nu ja, dat kan een halve minuut of een minuut zijn geweest, ik heb daar niet zo opgelet. Ziet U, dat zijn van die routine zaken, daar sta je na een tijd niet meer bij stil en zeker niet met je horloge in de hand. Ik weet ook niet meer hoe laat ik mijn eerste kopje koffie dronk, die dag, zal ik U eerlijk vertellen.’
Verder bleek er dus niets vermist te zijn uit de safe. Alle verdere plannen en tekeningen lagen er nog in. Naast een paar niet militaire opdrachten, zoals een pontonbrug voor de Koninklijke Shell, waren dat dan het ontwerp van de Duitse onderzeeër geweest en een voorlopige opzet voor een nieuw te bouwen kruiser, die de naam Eendracht zou krijgen. Maar dat plan was nog niet veel verder dan een eerste schets. Zo’n eerste schets was iets wat een schooljongen met gevoel voor schepen zelf zou kunnen tekenen en was dus niet iets waar men gegevens aan kon ontlenen. Maar omdat routine altijd routine moest blijven, waren die tekeningen ook opgeborgen.
‘Ik neem aan dat U duplicaat tekeningen, of doorslagen, hoe noemt U dat, van de plannen maakt en op een andere plaats bewaard?’ vroeg Eddy. Geelhorst kleurde. ‘Ja, dat zou wel moeten gebeuren, maar ziet U, het geld hé? Kijk heren, er zijn hele grote fotocamera’s waarmee je de plannen kunt fotograferen en ze er dan later weer mee kunt afdrukken. Maar die apparaten kosten heel veel geld en dat geld heeft NEVESBU helaas niet. Wij fotograferen de plannen wel, maar op microfilm. Die kunnen we weer ontwikkelen en dan kunnen we, aan de hand van die foto’s de tekeningen weer opnieuw maken.’
Peter had zijn sigaret gedoofd. ‘Dus als we goed begrijpen, zijn de echte, de originele plannen en tekeningen helemaal weg, helemaal verdwenen en moeten ze dus opnieuw getekend worden?’ Nee, dat was niet helemaal het geval, had Geelhorst gezegd. Ze hadden twee sets van de tekeningen. De eerste set, de originele tekeningen, hadden ze nog. ‘Dat zijn de zogenaamde “First Draft” tekeningen. Zeg maar de basis ontwerpen. Lengte, diepte breedte en dat soort zaken. Ook het spantenplan staat daarop, kortom het casco. Daarna zijn er nieuwe technische ontwikkelingen gekomen die we in de “Second Draft”, de tweede en momenteel de bijna definitieve serie tekeningen, hebben verwerkt. Kijk een modern oorlogsschip ontwerpen is natuurlijk niet zo vreselijk moeilijk. Daar zijn weinig geheimen meer over. De Britten hebben in 1906 met hun Dreadnought ontwerp daarvoor de toon gezet en in de afgelopen dertig jaar is daar op voortgeborduurd. Ook het ontwerp van het eerste echte vliegtuigmoederschip, HMS Argus, kan een beetje scheepstekenaar kopiëren en uitbreiden. Nee, wat de tekeningen van deze schepen zo uniek maakte is dat er een heel nieuw type munitiemagazijn en munitie opvoer naar de geschutstorens ontworpen en getekend is en daardoor de verbetering van de vuursnelheid. Waar een huidig schip een goede drie salvo’s per minuut kan afvuren, zouden onze schepen die vuursnelheid kunnen verdubbelen. Denkt U eens in, zes salvo’s per minuut, per toren.’ Hoewel Ed geen ervaring had met het geschut van marineschepen, wist hij zich wel in te denken wat zoiets voor een batterij artillerie zou betekenen en hij knikte nadenkend. ‘Ja’, zei hij, ‘ik snap dat dat een geliefd onderwerp zou kunnen zijn om te stelen.’ ‘Maar’, vervolgde Geelhorst, ‘er is nog iets. Ook de vuurleiding zelf moet daar op aan gepast worden, natuurlijk. Je kunt wel vierenvijftig granaten tegelijk in de lucht hebben en die doen neer komen op je uitgekozen doel, maar als je de treffers niet kunt analyseren, dan heb je er nog bitter weinig aan, natuurlijk.’ Zijn gesprekspartners knikten. Ja, dat was duidelijk. Als je een goaltje wilde scoren, dan moest je wel weten waar het doel lag.
‘Nu, daar is dus ook een hele aangepaste machine voor ontworpen. Het is een machine van de NV Nederlandse Signaal Toestellen, gevestigd in Nijmegen. Ze is gebaseerd op de “Turing” machine, mocht U dat wat zeggen.’ Dat deed het niet, maar ze hadden wel door dat het een uniek ontwerp en toestel was. De ingenieur wilde een uitgebreide verhandeling over die Engelse uitvinding doen, maar Ed onderbrak hem. Het zou te ver voeren, verduidelijkte hij. ‘Met de tekeningen van die nieuwe vuurleiding en van het nieuwe magazijn, zullen we natuurlijk weer helemaal opnieuw moeten beginnen en dat zou kunnen betekenen dat de bouw van de schepen misschien wel een jaar zou moeten worden uitgesteld!’ zuchtte de chef de bureau. ‘En dat is natuurlijk een zaak die het Ministerie heel slecht opneemt. En dan zwijg ik nog maar over de veiligheid van het land. Stel dat de Jappen, ja, ik heb de redenen voor het bouwen van deze schepen van de minister uitgelegd gekregen, achter dit verhaal komen!’
Er viel een korte stilte, waarin juffrouw Antje de koffiepot kwam vervangen. Ze had een blos op haar wangen, maar keek nog steeds verontwaardigd naar Ed
 ‘Hoe is de beveiliging van het pand overigens? Is er bijvoorbeeld een nachtwaker in de uren dat U gesloten bent? Lopen er bewakers rondes over het kantoor?’ wilde Ed weten. Dat bleek het geval te zijn. Er was wel geen nachtwaker dag en nacht in huis, maar NEVESBU had, door tussenkomst van het Ministerie, goede afspraken met het commando van het Marine Etablissement. De wachtcommandant van de mariniers kazerne, die op het terrein was gevestigd, zond vier keer ’s nachts een patrouille onder leiding van een korporaal uit. De patrouille kwam in het pand zelf en controleerde of alle deuren gesloten waren. Dat gebeurde elke nacht van de week en dat was natuurlijk ook op die zaterdagmiddag en avond gebeurd en ook de zondag daarop was het pand overdag ook enkele keren gecontroleerd.
‘Dus in principe zou men tussen de patrouilles door het pand kunnen betreden, begrijp ik’, zei Ed.
Dat was natuurlijk waar, maar dan moest men toch wel de tijden van de rondes van de patrouilles weten en die kwamen, juist om dat soort zaken te voorkomen, nooit op dezelfde tijd. En dan moest de inbreker, of de inbrekers, nog de tijd hebben om de combinatie van de safe te kunnen kraken.
‘Goed’, besloot Peter, ‘ook daarvoor moet de marine recherche ingeschakeld worden. Die moeten dan huis aan huis gaan navragen of de bewoners iets bijzonders gezien hebben. Ik zal een telegram sturen naar Witten, dan kan hij van zijn kant de zaak in gang zetten. Daarna willen we alle medewerkers ondervragen, mijnheer Geelhorst. Ik neem aan dat iedereen aanwezig is op de afdeling? Goed, dan kunnen we dit kantoor daarvoor gebruiken is het niet?’
Voordat de mannen in gang schoten toonde Geelhorst hen nog een schaalmodel van de slagkruiser. Peter, vanuit zijn marine optiek, keek bewonderend naar het schitterende schip, zoals dat moest gaan worden en floot van bewondering tussen zijn tanden. De romp was van een ‘flush dek’ type, dus zonder bak of achterdek. Het schip had een scherpe klippersteven wat op snelheid duidde. Drie drieling torens voor de hoofdbewapening van achtentwintig centimeter kanons domineerden het schip. Ook de secundaire bewapening van twaalf 12 centimeter kanons en nog eens 24 kanons van 40 en 20 millimeter was indrukwekkend. De opbouw was strak en boven de commandobrug stak de vuurleidingstoren dreigend omhoog. Tussen de twee rechte schoorstenen was een hangar gebouwd waar drie Fokker C 9 watervliegtuigen werden geherbergd, die door middel van een katapult konden worden gelanceerd.
Ook Ed was onder de indruk, hoewel zijn blijk natuurlijk minder zakenkundig was dan die van zijn marine collega. ‘Hoeveel kilometer per uur gaan die boten nu?’ vroeg hij niet bekend met marine uitdrukkingen. Ondanks alles moesten Peter en de ingenieur even lachen. ‘Ed, jongen’, beleerde Peter, ‘boten zijn die dingen waar je instapt als het schip zinkt, of waar Sinterklaas op vaart. Dit zijn schepen. En schepen varen niet in kilometers, maar in knopen, gesnopen?’
Nou nee, dat had Ed het niet helemaal. De heer Geelhorst legde minzaam uit: ‘De schepen hebben een waterverplaatsing van 26.000 ton. Om die schepen dus vooruit te krijgen hebben we een viertal stoomturbines voorzien, die samen 160.000 apk leveren. Het schip kan op volle snelheid tweeëndertig knopen of zeemijl halen. Dat is een kleine vijftig kilometer per uur, zeg maar.’
Nu floot de jonge heer Winkelman ook tussen zijn tanden van bewondering.

zaterdag 21 januari 2017

Het Slagkruiserplan, volgende deel (9)



4. Amsterdam, de volgende dag (dinsdag 5 februari 1935)

De ontsteltenis was groot geweest bij Eduard en Peter. ‘Vermist? Gestolen? Hoe? Hoe kan dat? Waar, door wie? Wie kunnen daar achter zitten?’ Nu nam Witten het woord. ‘Heren, het is zoals de minister zegt. De plannen zijn vandaag niet meer aangetroffen in de kluis van het bureau waar ze werden ontworpen en beheerd. Dat bureau is de NEVESBU, de “Nederlandse Verenigde Scheepsbouw Bureaus”, aan de Hoogte Kadijk in Amsterdam. De ingenieurs die vanmorgen het bureau openden troffen de kluis leeg aan. In ieder geval, zonder de tekeningen van die slagkruisers. De kluis was niet geforceerd. Iemand met kennis van de combinatie moest dus bezig geweest zijn. Of in ieder geval een hele goede brandkastkraker. Verder waren alle andere zaken die in de kluis lagen nog gewoon aanwezig, overigens. Men, de beide ingenieurs die de diefstal hebben geconstateerd, heeft natuurlijk meteen het bureau van de minister ingelicht, die mij dan weer heeft geroepen en de rest weten jullie. Gelukkig waren beide ingenieurs zo goed op de hoogte van gevoeligheid en beseften ze hoe geheim de plannen waren dat ze er geen politiezaak van hebben gemaakt. Want ook de politie is niet altijd te vertrouwen. Nogmaals, en ik herhaal de woorden van Zijne Excellentie: er mag absoluut niets over deze plannen bekend worden gemaakt of worden gelekt naar de pers. De politieke tegenstanders van dit kabinet, en dan bedoel ik alle tegenstanders, dus niet alleen de SDAP, maar ook de NSB, zouden er alles voor over hebben om deze regering ten val te brengen. Het is politieke dynamiet heren, een politiek kruitvat.’ Hij stopte weer zijn pijp en stak die omstandig op. ‘Tja, wie zit daar achter? De eerste gedachte is natuurlijk de Jap. Zoals Zijne Excellentie al uitlegde zijn de slagkruisers bedoeld om onze vloot in Oost te versterken. Dus zou het een logische gedachte zijn om die te verdenken. Maar, de Engelsen komen er ook voor in aanmerking, natuurlijk. Vergeet niet, wij zijn hun grootste handel concurrenten in die regio! Maar dat zal blijken uit het onderzoek. En, vergeet dat de oppositie ook garen zou spinnen bij een schandaal rond de geheime plannen. Het is dus aan jullie om de zaak uit te pluizen. Jullie gaan morgenochtend meteen naar Amsterdam. Maar, begrijp me goed, jullie gaan niet in uniform, denk daar wel aan. Dat zou weer reuring kunnen oproepen. De man die jullie te woord gaat staan is de leider van het bureau, Ir. Dr. Geelhorst. Ik verwacht jullie rapport zo spoedig mogelijk op mijn bureau.’
Ed waagde nog een vraag: ‘Worden de grenzen en havens nu afgesloten en, ja, dan ook Schiphol natuurlijk, majoor?’ Witte schraapte zijn keel: ‘We hebben daar wel aan gedacht, maar het is voorlopig nog helemaal niet zeker of de plannen werkelijk vermist zijn. We kunnen niet op elk gerucht heel het land maar op slot gooien, natuurlijk. Kijk het gaat niet om een persoon of over personen, die kun je bij de grenzen wel tegen houden, maar het gaat om stukken papier. Die kun je natuurlijk overal in verstoppen en zelfs een ander uiterlijk geven, of, weet ik het, microfilmen, of zoiets, heet dat geloof ik. Nee, heren, ik heb het idee dat de plannen nog gewoon in Amsterdam zijn.’ En met die afscheidswoorden liet de majoor hen gaan.

Het had licht gesneeuwd die nacht. Het spaarzame verkeer glibberde en gleed door de nog stille straten van Den Haag. De trein was op tijd vanaf station Hollands Spoor vertrokken. Beide mannen, allebei gekleed in ‘tenue de ville’, met zware winterjassen, die ze aan de daarvoor bestemde haken in de coupe hadden gehangen, hadden de kranten, die ze gekocht hadden bij de kiosk van het station, opengeslagen en lazen de tijdingen. Ed had: ‘De Telegraaf’ gekocht en Peter las: ‘De Haagse Post’. Het Zuid Hollandse landschap gleed voorbij en de, nu nog kale, velden van de Bollenstreek lagen wit en glimmend van de vers gevallen sneeuw. Een paar roeken trachtten voedsel te vinden tussen de witte voren. De kerktorens van de dorpjes aan de voet van de duinen staken door het kale geboomte. De molens die ze passeerden werkten en hun wieken draaiden met koortsachtige bedrijvigheid, aangedreven door de sterke noordoosten wind. Op de provinciale weg die parallel liep aan het spoor, reed een enkele auto, stapvoets, vanwege de gladheid. Een boerenkar met een span paarden sloeg een smalle zandweg in naar een verder af gelegen boerderij. Uit de schoorsteen daarvan krinkelde rook omhoog.
Ze hadden vanaf Sassenheim de coupe voor hun beiden. De boer en boerin die daar waren uitgestapt, waren op weg naar hun oudste dochter, had de stevige boerin laten weten. Hun eerste kleinkind was net geboren en ze gingen nu op kraamvisite. Zelf hadden ze een boeren nering onder Monster, maar hun dochter was met de zoon van een bollenboer getrouwd. ‘Oh, een beste jongen hoor en goed in de leer’, had zij met deinende onderkinnen verteld, ‘maar ja, het is nog pril geluk nu, natuurlijk en zolang de crisis aanhoudt, zullen we wat vaker gaan, is ’t niet Corneel?’ Corneel had, vanachter zijn pijpje en met zijn glimmend, met Sunlight zeep gewassen en blozende gelaat, geknikt. ‘Ja, het is wat hè, heren, hè? Die Amerikanen met hun gedoe, met die banken? Hè? Nee, wij hebben de boerderij vrij gewerkt, geen banken voor ons, hè, Mieke mij? Hè? Nee, wij hebben de dochter voor onze ouwe dag, die zal ons wel aan ’t graf brengen! Maar Mieke mij, geeft die jongens toch eens wat uut jouwen proviand mand, vrouw. De heren kennen wel wat gebruiken, hé? Ze zijn zo mager als planken, hé?’
“Mieke mij” had de grote rieten mand uit het bagagerek getild en tussen haar en Corneel in geopend en er een schat aan goede boeren geneugten uitgehaald. Worsten en kazen, hammen en kippen en kapoenen had ze tentoongesteld. De jonge kerels hadden al in geen tijden zo’n overvloed aan eten gezien. Het leek haast op een boerenschilderij van Breugel. Hun traktement was zo karig dat ze zich met liefde een halve kip de man en een verse worst hadden laten toestoppen. Verder hadden ze, Corneel had een scherp mes bij zich gehad, een paar flinke hompen kaas af laten snijden en die haast stikkend van de trek, verorberd, onder het goedmoedige lachen van de hartelijke boerenmensen. Toen ze uit stapten had het paar hen toegevoegd om maar eens op de boerderie te komme eten, der was genoeg hé?
De kranten berichten zorgelijk over dalende inkomens en stijgende werkeloosheid. De Telegraaf kraaide dat de NSB weer stemmen zou gaan winnen bij de volgende verkiezingen en de Haagse Post melde toenemende onlust onder de Indische bevolking en dat het land op de rand van een revolte stond. Ed las een stuk voor over de ‘New Deal’ politiek van de verse Amerikaanse president Roosevelt. De mannen spraken nog wat over al die sterke mannen die waren opgestaan in de hen omringende landen. Daladier in Frankrijk, Franco in Spanje, Mussolini in Italië, Stalin in dat grote en verre Rusland, ene Mao Zedoeng in China en natuurlijk die kleine hese man, met dat rare uiterlijk, de ex korporaal uit het keizerlijke leger, Hitler. Ook de poging die Mussert ondernam om nu aan het roer te komen in hun land, baarde hen zorgen.
‘Geloof me Eduard’, Peter noemde hem soms bij zijn volledige naam als hij een punt wilde duidelijk maken, ‘jouw vader zal nog eens gelijk krijgen, als hij zegt dat die Mussert kwade zaak gaat maken met de Rijkskanselier. Zijn club zou ons land wel eens kunnen gaan verraden, ben ik bang voor.’
Vanaf Sassenheim vertelde Ed over zijn onderzoek naar de dood van Majoor Krijger. Deze bekwame officier, die onderscheidingen droeg van vele missies, veldslagen en acties, was door de regering uitgezonden naar Albanië. Hij was ‘31 naar dat land vertrokken om klarigheid in een rare affaire te brengen. Een militair attaché van het koninkrijk en voormalig Kamerlid, was in 1929 naar Albanië uitgezonden om als waarnemer en adviseur van het Albanese leger op te treden. Het land werd geregeerd door een verre neef van koningin Wilhelmina, een prins uit het huis Wiedt, die als koning Zog de Eerste de troon had bestegen en zijn nicht om steun had verzocht. Hij was oprecht begaan met het lot van zijn straatarme en achtergebleven land, waar de corruptie onder de ambtenaren en de stamhoofden haast spreekwoordelijk was. Majoor Krijger was al snel in aanvaring gekomen met zijn directe meerdere, kolonel Vereman, die, doordat hij gechanteerd werd na een homoseksuele liaison met een Italiaanse officier, diep in de problemen was gekomen. De kolonel speelde allerlei legercontracten en zakencontracten door aan de Albanees-Italiaanse Maffia. Majoor Krijger kwam achter de smerige affaires en speelde geheime rapporten naar Den Haag door waarin hij zijn vermoedens over de rol van de militaire attaché uit de doeken deed en de regering riep Vereman terug. Voordat die echter naar Patria kon terugkeren werd Krijger op een donkere nacht in de straten van Durrës neergeschoten. Het geheel werd afgedaan als een zaak van eerwraak, Krijger zou zogenaamd de dochter van een Albanese notabel hebben verleid. Ed had een medewerker van Krijger kunnen achterhalen, een dienstplichtige boerenzoon, die hem vertelde dat hij die bewuste avond samen met de majoor, als bendeleden geïnfiltreerd, naar een vergadering was geweest van de bende van de Halve maan. Daar was duidelijk geworden wat de rol van de Nederlandse kolonel was geweest. Voordat de majoor zijn militaire meerdere had kunnen confronteren met de beschuldigingen, waren de fatale schoten gelost. De voormalige dienstplichtige had een beschrijving van de schutter gegeven en had zelfs een huls opgeraapt, nadat de schutter gevlucht was. Terug in Nederland kon de eerste luitenant Winkelman aantonen dat die huls uit het wapen van kolonel Vereman afkomstig was. Toen leden van de Koninklijke Marechaussee, Ed was uitgenodigd om mee te gaan, de ochtend daarop de woning van de verdachte wilden betreden hadden ze twee doffe knallen gehoord. De kolonel had zich zelf het leven genomen.
Peter floot tussen zijn tanden. ‘Een knap stuk werk, jongen, hoed af. Ik meen dat ik er iets over in de kranten las. Maar, hoe kon je met die man praten? Je spreekt toch geen Albananiaans, of hoe heet?’ Ed schoot in de lach: ‘Nee, het is Albanees. Nee, dat spreek ik niet, maar Albanië is een Italiaanse kolonie geweest en de bevolking spreekt allemaal wel wat Italiaans. Mijn ouwe heer is, toen ik nog een knaap was, gedetacheerd bij de ambassade in Rome, dus ik heb de taal redelijk opgepikt.’
Hun gesprek kabbelde wat door, Leiden en Haarlem werden gepasseerd en iets later reed de trein langs het stille station Sloterdijk. Via de westelijke havens zagen ze, vanaf het verhoogde talud van de spoorbanen, de drukte op het IJ. Hoewel de stoomschepen bijna alle zeilschepen hadden vervangen, wemelde het nog van de masten van zeilende schepen, die kris kras door de Amsterdamse haven voeren. Een groot passagiersschip lag gereed om onder stoom te gaan, met nijdige sleepbootjes, die zwarte en stinkende rookwolken uitbliezen, die zich om haar heen verdrongen zoals pups bij hun moeder, als ze wilden drinken. Het was de Johan van Oldenbarnevelt zagen de mannen. Het fraaie en grote mailschip, was gereed voor een zoveelste tocht naar de Oost. De dekken van het schip stonden vol met passagiers die ten afscheid wuifden met hoeden, petten en zakdoeken. Op de kade heerste een enorme drukte door de ‘afduwers’, zoals de achterblijvenden werden genoemd. De klanken van een fanfare verwaaiden op de wind.
Iets later liepen ze het Centraal Station uit en keken even naar het gewriemel op het overvolle Damrak.
Het stuk naar de Hoogte Kadijk liepen ze, ze hadden geen zin om in de overvolle bus D naar de Watergraafsmeer te stappen. Die lijn werd ook wel de ‘kraaienknip’ genoemd, omdat er zoveel medewerkers van de Oosterbegraafplaats mee reden. Ook het Oosterdok was vol schepen en schuiten en even hadden ze niet meer het idee dat er een vreselijke, wereldomvattende crisis heerste. Het woonhuis van Michiel de Ruyter werd opgeknapt, zagen ze. Bij het Marine Etablissement lagen twee torpedoboten gemeerd. Grote letters en getallen op de romp gaven aan dat het om de Z2 en de Z5 ging. Het oude gebouw van Land’s Zeemagazijn maakte een vervallen indruk. Het carillon van de Zuiderkerk speelde een deuntjes. Ed neuriede het mee: “Merk toch hoe sterk”. Ze kwamen langs de oude Jodenbuurt. Rabbijnen met lange zwarte jassen en het haar in pijpenkrullen liepen door overvolle straten waar kinderen in de rommel langs de kanten van de huizen scharrelden. Op een ronde reclamezuil lazen ze dat “Persil heel wit waste” en dat In de Cineac The Gay Divorcee draaide met Gingen Rogers en Fred Astère. Bij het entrepot dok gingen ze de oude stalen brug over, liepen links af de smalle, nauwe straat in en iets later stonden ze voor de gevel van nummer 34. Een smal en vier verdiepingen hoog huis, met een steegje ernaast. Een kleine koperen plaat gaf aan dat hier de Nederlandse Vereenigde Scheepsbouw Bureaus was gevestigd. Ze schelden en een jonge vrouw in een lange grijze jurk opende de deur, wat loensend naar hun kijkend vanachter zware ronde brillenglazen. Haar muisachtige haar droeg ze in een knotje op haar hoofd.
‘De heren wensen?’ vroeg ze snibbig. ‘Eens een keer met jou liggen te rollebollen in het hooi, schatje’, lachte Ed. ‘Nee, dien ons maar snel aan: de onderkoning van Boezewoesië en zijn grootvizier. We willen een koninklijk roeijacht laten bouwen voor dienst in de woestijn.’ Snibbig antwoorde het schatje: ‘As jullie hier benne gekomme om main te besoudemieteren, dan benne jullie helegaar verkeerd. Rot nou maar op, sautje landlopers!’ Ze wilde de deur al dicht smijten, maar Peter stak zijn voet ertussen. ‘Mevrouw, wij komen van het ministerie van Defensie, Den Haag. Wilt U de heer Geelhorst inlichtten dat de heren Winkelman en Neelissen er zijn voor een gesprek. We zijn aangemeld!’ Het schatje deed de deur weer open en zei, nog snibbiger: ‘Seg dat dan metenen, sautje flauwerikken!’ Ed lachte, maar kreeg een por van Peter, die vanuit zijn mondhoek siste: ‘Hou nou eens op, gek, met die flauwiteiten.’