Ze liep voor hen aan, een smalle
gang door, twee trappen hoog naar een helverlichte kamer aan de voorzijde van
het huis. In de kamer bevonden zich vijf grote tekentafels en aan al die tafels
zaten heren met gradenbogen en linialen te werken. In het achterste gedeelte
van de kamer zaten twee dames te typen.
De heer Geelhorst was een man zoals
ze zich ingenieurs hadden voorgesteld. Hij was lang en broodmager, was kalend
en had een grijze schippersbaard. Uit de borstzak van zijn witte laboratorium
jas staken een aantal potloden. Hij maakte een nerveuze indruk, wat niet zo gek
was, onder de omstandigheden. Hij zat achter zijn tekentafel waarop een schets
van een onderzeeboot te zien was. Ze stelden zich voor en Geelhorst riep om
‘Koffie juffrouw Antje, graag!’ Hij ging hen voor naar een aparte kamer die
duidelijk zijn kantoor was. Er stond een bureau en een paar stoelen en een paar
archiefkasten. Op die kasten stonden, in glazen vitrines modellen van schepen
die waarschijnlijk ooit door het bureau waren ontworpen. De jonge vrouw die hen
net had binnengelaten kwam iets later met geurige en lekkere koffie. “Niet dat
jullie het verdiend hebben, hoor, flauwe figuren!’ snibde ze nog. Geelhorst’s
blik was vragend, maar de officieren deden met een handgebaar teken dat er
niets aan de hand was.
Peter en Ed legitimeerden zich en
Peter opende het gesprek door te vertellen dat ze rechtstreeks opdracht hadden
van de minister om navraag en naspeuring te doen naar het gebeurde. Maar eerst
wilden ze de plaats zien waar de plannen hadden gelegen. Geelhorst ging hen
voor naar een zijkamer. De deur naar de gang, de enige toegang tot dat vertrek
overigens, was verzegeld. Op hun verantwoording verbrak Geelhorst de zegels.
Hij had het vertrek verzegeld, zei hij, omdat hij wel begreep dat er mensen
zouden komen die de kamer wilden doorzoeken en hij dus alles in de staat wilde
houden zoals hij het had aangetroffen. De officieren knikten goedkeurend. Het
vertrek was niet bijster groot, drie bij drie meter ongeveer. De enige toegang
tot de kamer was dus de deur waardoor zij net waren binnengetreden en er was
ook geen raam. Geelhorst vermoedde dat het ooit als voorraadkamer was gebruikt
toen het huis gebouwd was, nu al weer een kleine twee eeuwen geleden. Er stond
inderdaad een grote brandkast waarvan de deur op een kier stond. Er waren zo op
het eerste oog verder geen sporen van braak te zien. Ze doorzochten de kamer
grondig natuurlijk, maar er was verder niets te bekennen, behalve de grote
brandkast. ‘Wat denk je Peter, zou het nuttig zijn om vingerafdrukken te laten nemen?’
peinsde Ed. ‘Je hebt gelijk, ik bel straks de majoor en vraag of hij iemand van
de Marine recherche langs kan sturen. Hoewel ik vermoed dat de dader
handschoenen zal hebben gedragen. En ja, als het een interne medewerker is, dan
zullen diens vingerafdrukken niet opvallen. Maar ik bel toch.’
Ze gingen terug naar de kamer waar
Geelhorst zijn werkplek had. ‘Goed mijnheer Geelhorst, schiet, zoals ze bij de
Engelsen zouden zeggen. Vertel het verhaal maar.
Maar, voor U begint, ik zie daar een
tekening van een onderzeeboot, maar het lijkt me niet een van de onzen?’ vroeg
Peter, nadat hij de tekening even had bekeken.
‘Nee, dat ziet U goed. Het is een
tekening voor een onderzeeër voor het Duitse rijk, een type VII, zoals wij dat
noemen. Een zeegaande boot, natuurlijk.’
‘Maar ik dacht dat de Duitsers door
het verdrag van Versailles helemaal geen U-boten meer mochten hebben?’ vroeg
Ed. ‘Ja, mijnheer Winkelman, dat is helemaal correct. Maar in de loop van dit
jaar zal dat verbod worden opgeheven. Ziet U, dit zijn maar tekeningen en geen
echte schepen, begrijpt U? En of we nu tekeningen van schepen voor ons land
maken of voor de Duitsers, is ons om het even. Het is crisis en met het
ontwerpen van schepen voor onze Marine alleen houden we geen mensen aan het
werk.’
Ze namen plaats aan het bureau van
Geelhorst en, nadat ze de heerlijke koffie hadden geproefd, staken ze alle drie
een rokertje op. Geelhorst vertelde in het kort wat er was gebeurd en dat was
niet zo veel te noemen. Zoals aan het einde van elke zaterdag morgen waren de
afgelopen zaterdag dezelfde routine handelingen uitgevoerd. Om twaalf uur
werden alle vertrouwelijke en geheime plannen opgevouwen of opgerold en onder
toezicht van de oudst aanwezige ingenieur, in dit geval Geelhorst zelf, in de
daarvoor bestemde vakken in de brandkast gestopt. Die was vervolgens op slot
gedaan en de sleutel had Geelhorst dan meegenomen. Toen de mensen vanmorgen aan
het werk wilden gaan, had de medewerker, die de tekeningen uit de safe moest
halen, de ingenieur Lammers, de brandkast open aangetroffen. Hij had
onmiddellijk alarm geslagen en Geelhorst geroepen. ‘We willen die mijnheer
straks als eerste spreken, natuurlijk’, zei Peter, ‘heeft die mijnheer Lammers
zelf nog in de safe gekeken om te zien wat er verder vermist was?’ ‘Nee, dat
niet’, antwoorde de chef, ‘hij heeft mij meteen geroepen en ik heb
geconstateerd dat het alleen om de bewuste plannen ging.’ ‘Hoeveel tijd zat er
tussen het openen van de safe en zijn waarschuwing?’ wilde Ed weten. ‘Nu ja,
dat kan een halve minuut of een minuut zijn geweest, ik heb daar niet zo
opgelet. Ziet U, dat zijn van die routine zaken, daar sta je na een tijd niet
meer bij stil en zeker niet met je horloge in de hand. Ik weet ook niet meer
hoe laat ik mijn eerste kopje koffie dronk, die dag, zal ik U eerlijk
vertellen.’
Verder bleek er dus niets vermist te
zijn uit de safe. Alle verdere plannen en tekeningen lagen er nog in. Naast een
paar niet militaire opdrachten, zoals een pontonbrug voor de Koninklijke Shell,
waren dat dan het ontwerp van de Duitse onderzeeër geweest en een voorlopige
opzet voor een nieuw te bouwen kruiser, die de naam Eendracht zou krijgen. Maar dat plan was nog niet veel verder dan
een eerste schets. Zo’n eerste schets was iets wat een schooljongen met gevoel
voor schepen zelf zou kunnen tekenen en was dus niet iets waar men gegevens aan
kon ontlenen. Maar omdat routine altijd routine moest blijven, waren die
tekeningen ook opgeborgen.
‘Ik neem aan dat U duplicaat
tekeningen, of doorslagen, hoe noemt U dat, van de plannen maakt en op een
andere plaats bewaard?’ vroeg Eddy. Geelhorst kleurde. ‘Ja, dat zou wel moeten
gebeuren, maar ziet U, het geld hé? Kijk heren, er zijn hele grote fotocamera’s
waarmee je de plannen kunt fotograferen en ze er dan later weer mee kunt afdrukken.
Maar die apparaten kosten heel veel geld en dat geld heeft NEVESBU helaas niet.
Wij fotograferen de plannen wel, maar op microfilm. Die kunnen we weer
ontwikkelen en dan kunnen we, aan de hand van die foto’s de tekeningen weer
opnieuw maken.’
Peter had zijn sigaret gedoofd. ‘Dus
als we goed begrijpen, zijn de echte, de originele plannen en tekeningen
helemaal weg, helemaal verdwenen en moeten ze dus opnieuw getekend worden?’
Nee, dat was niet helemaal het geval, had Geelhorst gezegd. Ze hadden twee sets
van de tekeningen. De eerste set, de originele tekeningen, hadden ze nog. ‘Dat
zijn de zogenaamde “First Draft” tekeningen. Zeg maar de basis ontwerpen.
Lengte, diepte breedte en dat soort zaken. Ook het spantenplan staat daarop,
kortom het casco. Daarna zijn er nieuwe technische ontwikkelingen gekomen die
we in de “Second Draft”, de tweede en momenteel de bijna definitieve serie
tekeningen, hebben verwerkt. Kijk een modern oorlogsschip ontwerpen is
natuurlijk niet zo vreselijk moeilijk. Daar zijn weinig geheimen meer over. De
Britten hebben in 1906 met hun Dreadnought
ontwerp daarvoor de toon gezet en in de afgelopen dertig jaar is daar op
voortgeborduurd. Ook het ontwerp van het eerste echte vliegtuigmoederschip, HMS Argus, kan een beetje scheepstekenaar
kopiëren en uitbreiden. Nee, wat de tekeningen van deze schepen zo uniek maakte
is dat er een heel nieuw type munitiemagazijn en munitie opvoer naar de
geschutstorens ontworpen en getekend is en daardoor de verbetering van de
vuursnelheid. Waar een huidig schip een goede drie salvo’s per minuut kan
afvuren, zouden onze schepen die vuursnelheid kunnen verdubbelen. Denkt U eens
in, zes salvo’s per minuut, per toren.’ Hoewel Ed geen ervaring had met het
geschut van marineschepen, wist hij zich wel in te denken wat zoiets voor een
batterij artillerie zou betekenen en hij knikte nadenkend. ‘Ja’, zei hij, ‘ik
snap dat dat een geliefd onderwerp zou kunnen zijn om te stelen.’ ‘Maar’,
vervolgde Geelhorst, ‘er is nog iets. Ook de vuurleiding zelf moet daar op aan
gepast worden, natuurlijk. Je kunt wel vierenvijftig granaten tegelijk in de
lucht hebben en die doen neer komen op je uitgekozen doel, maar als je de
treffers niet kunt analyseren, dan heb je er nog bitter weinig aan,
natuurlijk.’ Zijn gesprekspartners knikten. Ja, dat was duidelijk. Als je een
goaltje wilde scoren, dan moest je wel weten waar het doel lag.
‘Nu, daar is dus ook een hele
aangepaste machine voor ontworpen. Het is een machine van de NV Nederlandse
Signaal Toestellen, gevestigd in Nijmegen. Ze is gebaseerd op de “Turing”
machine, mocht U dat wat zeggen.’ Dat deed het niet, maar ze hadden wel door
dat het een uniek ontwerp en toestel was. De ingenieur wilde een uitgebreide
verhandeling over die Engelse uitvinding doen, maar Ed onderbrak hem. Het zou
te ver voeren, verduidelijkte hij. ‘Met de tekeningen van die nieuwe
vuurleiding en van het nieuwe magazijn, zullen we natuurlijk weer helemaal
opnieuw moeten beginnen en dat zou kunnen betekenen dat de bouw van de schepen
misschien wel een jaar zou moeten worden uitgesteld!’ zuchtte de chef de
bureau. ‘En dat is natuurlijk een zaak die het Ministerie heel slecht opneemt.
En dan zwijg ik nog maar over de veiligheid van het land. Stel dat de Jappen,
ja, ik heb de redenen voor het bouwen van deze schepen van de minister
uitgelegd gekregen, achter dit verhaal komen!’
Er viel een korte stilte, waarin
juffrouw Antje de koffiepot kwam vervangen. Ze had een blos op haar wangen,
maar keek nog steeds verontwaardigd naar Ed
‘Hoe is de beveiliging van het pand overigens?
Is er bijvoorbeeld een nachtwaker in de uren dat U gesloten bent? Lopen er
bewakers rondes over het kantoor?’ wilde Ed weten. Dat bleek het geval te zijn.
Er was wel geen nachtwaker dag en nacht in huis, maar NEVESBU had, door
tussenkomst van het Ministerie, goede afspraken met het commando van het Marine
Etablissement. De wachtcommandant van de mariniers kazerne, die op het terrein
was gevestigd, zond vier keer ’s nachts een patrouille onder leiding van een korporaal
uit. De patrouille kwam in het pand zelf en controleerde of alle deuren
gesloten waren. Dat gebeurde elke nacht van de week en dat was natuurlijk ook
op die zaterdagmiddag en avond gebeurd en ook de zondag daarop was het pand
overdag ook enkele keren gecontroleerd.
‘Dus in principe zou men tussen de
patrouilles door het pand kunnen betreden, begrijp ik’, zei Ed.
Dat was natuurlijk waar, maar dan
moest men toch wel de tijden van de rondes van de patrouilles weten en die
kwamen, juist om dat soort zaken te voorkomen, nooit op dezelfde tijd. En dan
moest de inbreker, of de inbrekers, nog de tijd hebben om de combinatie van de
safe te kunnen kraken.
‘Goed’, besloot Peter, ‘ook daarvoor
moet de marine recherche ingeschakeld worden. Die moeten dan huis aan huis gaan
navragen of de bewoners iets bijzonders gezien hebben. Ik zal een telegram
sturen naar Witten, dan kan hij van zijn kant de zaak in gang zetten. Daarna
willen we alle medewerkers ondervragen, mijnheer Geelhorst. Ik neem aan dat
iedereen aanwezig is op de afdeling? Goed, dan kunnen we dit kantoor daarvoor
gebruiken is het niet?’
Voordat de mannen in gang schoten
toonde Geelhorst hen nog een schaalmodel van de slagkruiser. Peter, vanuit zijn
marine optiek, keek bewonderend naar het schitterende schip, zoals dat moest
gaan worden en floot van bewondering tussen zijn tanden. De romp was van een
‘flush dek’ type, dus zonder bak of achterdek. Het schip had een scherpe
klippersteven wat op snelheid duidde. Drie drieling torens voor de
hoofdbewapening van achtentwintig centimeter kanons domineerden het schip. Ook
de secundaire bewapening van twaalf 12 centimeter kanons en nog eens 24 kanons
van 40 en 20 millimeter was indrukwekkend. De opbouw was strak en boven de
commandobrug stak de vuurleidingstoren dreigend omhoog. Tussen de twee rechte
schoorstenen was een hangar gebouwd waar drie Fokker C 9 watervliegtuigen
werden geherbergd, die door middel van een katapult konden worden gelanceerd.
Ook Ed was onder de indruk, hoewel
zijn blijk natuurlijk minder zakenkundig was dan die van zijn marine collega.
‘Hoeveel kilometer per uur gaan die boten nu?’ vroeg hij niet bekend met marine
uitdrukkingen. Ondanks alles moesten Peter en de ingenieur even lachen. ‘Ed,
jongen’, beleerde Peter, ‘boten zijn die dingen waar je instapt als het schip
zinkt, of waar Sinterklaas op vaart. Dit zijn schepen. En schepen varen niet in
kilometers, maar in knopen, gesnopen?’
Nou nee, dat had Ed het niet
helemaal. De heer Geelhorst legde minzaam uit: ‘De schepen hebben een
waterverplaatsing van 26.000 ton. Om die schepen dus vooruit te krijgen hebben
we een viertal stoomturbines voorzien, die samen 160.000 apk leveren. Het schip
kan op volle snelheid tweeëndertig knopen of zeemijl halen. Dat is een kleine
vijftig kilometer per uur, zeg maar.’
Nu floot de jonge heer Winkelman ook
tussen zijn tanden van bewondering.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten