zaterdag 21 januari 2017

Vervolg van Het Slagkruiserplan



4. Amsterdam, de volgende dag (dinsdag 5 februari 1935)

De ontsteltenis was groot geweest bij Eduard en Peter. ‘Vermist? Gestolen? Hoe? Hoe kan dat? Waar, door wie? Wie kunnen daar achter zitten?’ Nu nam Witten het woord. ‘Heren, het is zoals de minister zegt. De plannen zijn vandaag niet meer aangetroffen in de kluis van het bureau waar ze werden ontworpen en beheerd. Dat bureau is de NEVESBU, de “Nederlandse Verenigde Scheepsbouw Bureaus”, aan de Hoogte Kadijk in Amsterdam. De ingenieurs die vanmorgen het bureau openden troffen de kluis leeg aan. In ieder geval, zonder de tekeningen van die slagkruisers. De kluis was niet geforceerd. Iemand met kennis van de combinatie moest dus bezig geweest zijn. Of in ieder geval een hele goede brandkastkraker. Verder waren alle andere zaken die in de kluis lagen nog gewoon aanwezig, overigens. Men, de beide ingenieurs die de diefstal hebben geconstateerd, heeft natuurlijk meteen het bureau van de minister ingelicht, die mij dan weer heeft geroepen en de rest weten jullie. Gelukkig waren beide ingenieurs zo goed op de hoogte van gevoeligheid en beseften ze hoe geheim de plannen waren dat ze er geen politiezaak van hebben gemaakt. Want ook de politie is niet altijd te vertrouwen. Nogmaals, en ik herhaal de woorden van Zijne Excellentie: er mag absoluut niets over deze plannen bekend worden gemaakt of worden gelekt naar de pers. De politieke tegenstanders van dit kabinet, en dan bedoel ik alle tegenstanders, dus niet alleen de SDAP, maar ook de NSB, zouden er alles voor over hebben om deze regering ten val te brengen. Het is politieke dynamiet heren, een politiek kruitvat.’ Hij stopte weer zijn pijp en stak die omstandig op. ‘Tja, wie zit daar achter? De eerste gedachte is natuurlijk de Jap. Zoals Zijne Excellentie al uitlegde zijn de slagkruisers bedoeld om onze vloot in Oost te versterken. Dus zou het een logische gedachte zijn om die te verdenken. Maar, de Engelsen komen er ook voor in aanmerking, natuurlijk. Vergeet niet, wij zijn hun grootste handel concurrenten in die regio! Maar dat zal blijken uit het onderzoek. En, vergeet dat de oppositie ook garen zou spinnen bij een schandaal rond de geheime plannen. Het is dus aan jullie om de zaak uit te pluizen. Jullie gaan morgenochtend meteen naar Amsterdam. Maar, begrijp me goed, jullie gaan niet in uniform, denk daar wel aan. Dat zou weer reuring kunnen oproepen. De man die jullie te woord gaat staan is de leider van het bureau, Ir. Dr. Geelhorst. Ik verwacht jullie rapport zo spoedig mogelijk op mijn bureau.’
Ed waagde nog een vraag: ‘Worden de grenzen en havens nu afgesloten en, ja, dan ook Schiphol natuurlijk, majoor?’ Witte schraapte zijn keel: ‘We hebben daar wel aan gedacht, maar het is voorlopig nog helemaal niet zeker of de plannen werkelijk vermist zijn. We kunnen niet op elk gerucht heel het land maar op slot gooien, natuurlijk. Kijk het gaat niet om een persoon of over personen, die kun je bij de grenzen wel tegen houden, maar het gaat om stukken papier. Die kun je natuurlijk overal in verstoppen en zelfs een ander uiterlijk geven, of, weet ik het, microfilmen, of zoiets, heet dat geloof ik. Nee, heren, ik heb het idee dat de plannen nog gewoon in Amsterdam zijn.’ En met die afscheidswoorden liet de majoor hen gaan.

Het had licht gesneeuwd die nacht. Het spaarzame verkeer glibberde en gleed door de nog stille straten van Den Haag. De trein was op tijd vanaf station Hollands Spoor vertrokken. Beide mannen, allebei gekleed in ‘tenue de ville’, met zware winterjassen, die ze aan de daarvoor bestemde haken in de coupe hadden gehangen, hadden de kranten, die ze gekocht hadden bij de kiosk van het station, opengeslagen en lazen de tijdingen. Ed had: ‘De Telegraaf’ gekocht en Peter las: ‘De Haagse Post’. Het Zuid Hollandse landschap gleed voorbij en de, nu nog kale, velden van de Bollenstreek lagen wit en glimmend van de vers gevallen sneeuw. Een paar roeken trachtten voedsel te vinden tussen de witte voren. De kerktorens van de dorpjes aan de voet van de duinen staken door het kale geboomte. De molens die ze passeerden werkten en hun wieken draaiden met koortsachtige bedrijvigheid, aangedreven door de sterke noordoosten wind. Op de provinciale weg die parallel liep aan het spoor, reed een enkele auto, stapvoets, vanwege de gladheid. Een boerenkar met een span paarden sloeg een smalle zandweg in naar een verder af gelegen boerderij. Uit de schoorsteen daarvan krinkelde rook omhoog.
Ze hadden vanaf Sassenheim de coupe voor hun beiden. De boer en boerin die daar waren uitgestapt, waren op weg naar hun oudste dochter, had de stevige boerin laten weten. Hun eerste kleinkind was net geboren en ze gingen nu op kraamvisite. Zelf hadden ze een boeren nering onder Monster, maar hun dochter was met de zoon van een bollenboer getrouwd. ‘Oh, een beste jongen hoor en goed in de leer’, had zij met deinende onderkinnen verteld, ‘maar ja, het is nog pril geluk nu, natuurlijk en zolang de crisis aanhoudt, zullen we wat vaker gaan, is ’t niet Corneel?’ Corneel had, vanachter zijn pijpje en met zijn glimmend, met Sunlight zeep gewassen en blozende gelaat, geknikt. ‘Ja, het is wat hè, heren, hè? Die Amerikanen met hun gedoe, met die banken? Hè? Nee, wij hebben de boerderij vrij gewerkt, geen banken voor ons, hè, Mieke mij? Hè? Nee, wij hebben de dochter voor onze ouwe dag, die zal ons wel aan ’t graf brengen! Maar Mieke mij, geeft die jongens toch eens wat uut jouwen proviand mand, vrouw. De heren kennen wel wat gebruiken, hé? Ze zijn zo mager als planken, hé?’
“Mieke mij” had de grote rieten mand uit het bagagerek getild en tussen haar en Corneel in geopend en er een schat aan goede boeren geneugten uitgehaald. Worsten en kazen, hammen en kippen en kapoenen had ze tentoongesteld. De jonge kerels hadden al in geen tijden zo’n overvloed aan eten gezien. Het leek haast op een boerenschilderij van Breugel. Hun traktement was zo karig dat ze zich met liefde een halve kip de man en een verse worst hadden laten toestoppen. Verder hadden ze, Corneel had een scherp mes bij zich gehad, een paar flinke hompen kaas af laten snijden en die haast stikkend van de trek, verorberd, onder het goedmoedige lachen van de hartelijke boerenmensen. Toen ze uit stapten had het paar hen toegevoegd om maar eens op de boerderie te komme eten, der was genoeg hé?
De kranten berichten zorgelijk over dalende inkomens en stijgende werkeloosheid. De Telegraaf kraaide dat de NSB weer stemmen zou gaan winnen bij de volgende verkiezingen en de Haagse Post melde toenemende onlust onder de Indische bevolking en dat het land op de rand van een revolte stond. Ed las een stuk voor over de ‘New Deal’ politiek van de verse Amerikaanse president Roosevelt. De mannen spraken nog wat over al die sterke mannen die waren opgestaan in de hen omringende landen. Daladier in Frankrijk, Franco in Spanje, Mussolini in Italië, Stalin in dat grote en verre Rusland, ene Mao Zedoeng in China en natuurlijk die kleine hese man, met dat rare uiterlijk, de ex korporaal uit het keizerlijke leger, Hitler. Ook de poging die Mussert ondernam om nu aan het roer te komen in hun land, baarde hen zorgen.
‘Geloof me Eduard’, Peter noemde hem soms bij zijn volledige naam als hij een punt wilde duidelijk maken, ‘jouw vader zal nog eens gelijk krijgen, als hij zegt dat die Mussert kwade zaak gaat maken met de Rijkskanselier. Zijn club zou ons land wel eens kunnen gaan verraden, ben ik bang voor.’
Vanaf Sassenheim vertelde Ed over zijn onderzoek naar de dood van Majoor Krijger. Deze bekwame officier, die onderscheidingen droeg van vele missies, veldslagen en acties, was door de regering uitgezonden naar Albanië. Hij was ‘31 naar dat land vertrokken om klarigheid in een rare affaire te brengen. Een militair attaché van het koninkrijk en voormalig Kamerlid, was in 1929 naar Albanië uitgezonden om als waarnemer en adviseur van het Albanese leger op te treden. Het land werd geregeerd door een verre neef van koningin Wilhelmina, een prins uit het huis Wiedt, die als koning Zog de Eerste de troon had bestegen en zijn nicht om steun had verzocht. Hij was oprecht begaan met het lot van zijn straatarme en achtergebleven land, waar de corruptie onder de ambtenaren en de stamhoofden haast spreekwoordelijk was. Majoor Krijger was al snel in aanvaring gekomen met zijn directe meerdere, kolonel Vereman, die, doordat hij gechanteerd werd na een homoseksuele liaison met een Italiaanse officier, diep in de problemen was gekomen. De kolonel speelde allerlei legercontracten en zakencontracten door aan de Albanees-Italiaanse Maffia. Majoor Krijger kwam achter de smerige affaires en speelde geheime rapporten naar Den Haag door waarin hij zijn vermoedens over de rol van de militaire attaché uit de doeken deed en de regering riep Vereman terug. Voordat die echter naar Patria kon terugkeren werd Krijger op een donkere nacht in de straten van Durrës neergeschoten. Het geheel werd afgedaan als een zaak van eerwraak, Krijger zou zogenaamd de dochter van een Albanese notabel hebben verleid. Ed had een medewerker van Krijger kunnen achterhalen, een dienstplichtige boerenzoon, die hem vertelde dat hij die bewuste avond samen met de majoor, als bendeleden geïnfiltreerd, naar een vergadering was geweest van de bende van de Halve maan. Daar was duidelijk geworden wat de rol van de Nederlandse kolonel was geweest. Voordat de majoor zijn militaire meerdere had kunnen confronteren met de beschuldigingen, waren de fatale schoten gelost. De voormalige dienstplichtige had een beschrijving van de schutter gegeven en had zelfs een huls opgeraapt, nadat de schutter gevlucht was. Terug in Nederland kon de eerste luitenant Winkelman aantonen dat die huls uit het wapen van kolonel Vereman afkomstig was. Toen leden van de Koninklijke Marechaussee, Ed was uitgenodigd om mee te gaan, de ochtend daarop de woning van de verdachte wilden betreden hadden ze twee doffe knallen gehoord. De kolonel had zich zelf het leven genomen.
Peter floot tussen zijn tanden. ‘Een knap stuk werk, jongen, hoed af. Ik meen dat ik er iets over in de kranten las. Maar, hoe kon je met die man praten? Je spreekt toch geen Albananiaans, of hoe heet?’ Ed schoot in de lach: ‘Nee, het is Albanees. Nee, dat spreek ik niet, maar Albanië is een Italiaanse kolonie geweest en de bevolking spreekt allemaal wel wat Italiaans. Mijn ouwe heer is, toen ik nog een knaap was, gedetacheerd bij de ambassade in Rome, dus ik heb de taal redelijk opgepikt.’
Hun gesprek kabbelde wat door, Leiden en Haarlem werden gepasseerd en iets later reed de trein langs het stille station Sloterdijk. Via de westelijke havens zagen ze, vanaf het verhoogde talud van de spoorbanen, de drukte op het IJ. Hoewel de stoomschepen bijna alle zeilschepen hadden vervangen, wemelde het nog van de masten van zeilende schepen, die kris kras door de Amsterdamse haven voeren. Een groot passagiersschip lag gereed om onder stoom te gaan, met nijdige sleepbootjes, die zwarte en stinkende rookwolken uitbliezen, die zich om haar heen verdrongen zoals pups bij hun moeder, als ze wilden drinken. Het was de Johan van Oldenbarnevelt zagen de mannen. Het fraaie en grote mailschip, was gereed voor een zoveelste tocht naar de Oost. De dekken van het schip stonden vol met passagiers die ten afscheid wuifden met hoeden, petten en zakdoeken. Op de kade heerste een enorme drukte door de ‘afduwers’, zoals de achterblijvenden werden genoemd. De klanken van een fanfare verwaaiden op de wind.
Iets later liepen ze het Centraal Station uit en keken even naar het gewriemel op het overvolle Damrak.
Het stuk naar de Hoogte Kadijk liepen ze, ze hadden geen zin om in de overvolle bus D naar de Watergraafsmeer te stappen. Die lijn werd ook wel de ‘kraaienknip’ genoemd, omdat er zoveel medewerkers van de Oosterbegraafplaats mee reden. Ook het Oosterdok was vol schepen en schuiten en even hadden ze niet meer het idee dat er een vreselijke, wereldomvattende crisis heerste. Het woonhuis van Michiel de Ruyter werd opgeknapt, zagen ze. Bij het Marine Etablissement lagen twee torpedoboten gemeerd. Grote letters en getallen op de romp gaven aan dat het om de Z2 en de Z5 ging. Het oude gebouw van Land’s Zeemagazijn maakte een vervallen indruk. Het carillon van de Zuiderkerk speelde een deuntjes. Ed neuriede het mee: “Merk toch hoe sterk”. Ze kwamen langs de oude Jodenbuurt. Rabbijnen met lange zwarte jassen en het haar in pijpenkrullen liepen door overvolle straten waar kinderen in de rommel langs de kanten van de huizen scharrelden. Op een ronde reclamezuil lazen ze dat “Persil heel wit waste” en dat In de Cineac The Gay Divorcee draaide met Ginger Rogers en Fred Astère. Bij het entrepot dok gingen ze de oude stalen brug over, liepen links af de smalle, nauwe straat in en iets later stonden ze voor de gevel van nummer 34. Een smal en vier verdiepingen hoog huis, met een steegje ernaast. Een kleine koperen plaat gaf aan dat hier de Nederlandse Vereenigde Scheepsbouw Bureaus was gevestigd. Ze schelden en een jonge vrouw in een lange grijze jurk opende de deur, wat loensend naar hun kijkend vanachter zware ronde brillenglazen. Haar muisachtige haar droeg ze in een knotje op haar hoofd.
‘De heren wensen?’ vroeg ze snibbig. ‘Eens een keer met jou liggen te rollebollen in het hooi, schatje’, lachte Ed. ‘Nee, dien ons maar snel aan: de onderkoning van Boezewoesië en zijn grootvizier. We willen een koninklijk roeijacht laten bouwen voor dienst in de woestijn.’ Snibbig antwoordde het schatje: ‘As jullie hier benne gekomme om main te besoudemieteren, dan benne jullie helegaar verkeerd. Rot nou maar op, sautje landlopers!’ Ze wilde de deur al dicht smijten, maar Peter stak zijn voet ertussen. ‘Mevrouw, wij komen van het ministerie van Defensie, Den Haag. Wilt U de heer Geelhorst inlichtten dat de heren Winkelman en Neelissen er zijn voor een gesprek. We zijn aangemeld!’ Het schatje deed de deur weer open en zei, nog snibbiger: ‘Seg dat dan metenen, sautje flauwerikken!’ Ed lachte, maar kreeg een por van Peter, die vanuit zijn mondhoek siste: ‘Hou nou eens op, gek, met die flauwiteiten.’

Geen opmerkingen:

Een reactie posten