3. Den Haag, maandag 4 februari 1935
Ze liepen de kantoren van de sectie
G 3 S binnen en hingen hun jassen aan de kapstok in het halletje. Hun afdeling
had drie kamers naast elkaar op dezelfde gang van de derde etage. De kamers
waren door gecapitonneerde deuren met elkaar verbonden. De voorste, vanaf het
trappenhuis gezien, was ‘de staf’ zoals ze het in de wandeling noemden. Daar
huisde Sergeant-majoor schrijver De Wit met de korporaal codeur Jansma en de
dienstplichtige soldaat Pieterse. De laatste was algeheel duvelstoejager van de
afdeling en zette koffie en thee, archiveerde de stukken die de sergeant majoor
en de korporaal hem toe schoven en zorgde voor het schoonhouden van hun
lokaliteiten. Jansma deed wat een codeur hoort te doen. Hij behandelde
berichten codeerde of decodeerde die. De Wit had een paar prenten uit de Oost
aan de wand gehangen en het rook in het vertrek vaag naar kruidnagel, van de
Kretek sigaretten die de Onderofficier af en toe rookte. De middelste kamer was
hun beider werkvertrek. Er stonden twee cilinderbureaus en een paar stoelen in.
Ook was er een telefoon. Aan de muren hingen, naast het gebruikelijke
staatsportret van de koningin natuurlijk, diverse reproducties die de mannen
uit kunsttijdschriften hadden geknipt. Ook hing er een fraaie opname van Hr.
Ms. De Winter in volle zee, genomen
vanaf de brug van een torpedoboot, en een foto van de compagnie waar Eddy de
leiding over had gehad. De eerste luitenant zat trots in het midden van zijn
‘gajes’, zoals hij zijn dienstplichtigen altijd nog met veel warmte noemde. De derde
kamer werd ‘het heiligdom’ genoemd, de kamer waar Majoor Witten troonde. Ze
kwamen geregeld bij de majoor, de sectiechef was erg benaderbaar en wilde van
alles op de hoogte worden gehouden.
Nadat ze bij De Wit nagevraagd
hadden of er nog spoedzaken waren had de oudere grijze sergeant-majoor zijn
hoofd geschud. ‘Nee, heren, jullie kunnen meteen doorlopen naar de baas.’ Ze
hadden nog even gevraagd hoe het thuis ging en De Wit had hen bedankt voor hun
belangstelling en met zijn handen een: “zo, zo” gebaar gemaakt.
Majoor Witten liet hen, na de klop
van Peter, binnenkomen en hij wees de mannen te gaan zitten op de twee stoelen
voor zijn bureau. Ook deze kamer was qua inrichting haast Spartaans te nomen.
Het bureau met vloeiblad, een archiefkast, het bekende portret aan de muur en
een kapstok. Daaraan hing de geklede uniform overjas van de majoor, met zijn
kruisen die herinnerden aan lang vergeten oorlogen en veldtochten in de Oost.
De mannen keken naar hun chef. Witten liep al tegen de vijftig en hoewel zijn ‘en
brosse’ geknipte haar aan het grijzen was, maakte hij nog een jeugdige indruk.
Hij was niet al te lang en neigde naar overgewicht. Dat kwam vooral door de
biertjes die geboren Brabander graag tot zich nam en waar mevrouw Witten niet
al te blij mee was. Hij had vier kinderen, van wie de oudste in de voetsporen
van zijn vader was getreden en ook naar de Militaire Academie was gegaan. Daar
had hij zijn draai gevonden en was overgestapt naar de Koninklijke Luchtmacht
en was nu gestationeerd als jager piloot op Soesterberg.
Witten ondertekende een papier, nam
zijn vloeirol, legde zijn pen neer en sloot de map met de stukken die hij aan
het tekenen was. Hij knikte zijn ondergeschikten toe en pakte uit zijn archief
la een groene dossiermap, die hij opende. Hij schraapte zijn keel en stopte
bedachtzaam zijn pijp, terwijl hij het dossier door bladerde.
‘Een fraai rapport, heren, een goed
stuk. Jullie hebben die Haighton doorgelicht en vooral zijn verbinding met de
groep rond die Amsterdams marktkoopman, die Jan Baars met zijn groep De Bezem.
Hm, eens zien, Alfred Haighton, zoon van een Nederlandse multimiljonair van
Schotse herkomst. Grootvader oprichter en eigenaar van de Lotisco? Wat is dat?’
Eduard Winterman, Ed voor vrienden, antwoordde: ‘Ja, dat was een fraaie zaak. Je
kon je zo verzekeren tegen nieten in loterijen, de deelnemer moest dan wel
honderdvijftig pop inleggen. Het was meer een investeringsmaatschappij. Er
werden duistere zaakjes mee belegd, hebben we begrepen, maar daar zijn we niet
verder over doorgegaan. De grootvader is daar schathemeltje rijk mee geworden,
maar onze man heeft daar verder niets meer mee van doen.’ ‘Behalve dan dat hij
fascistische groeperingen met zijn kapitaal steunt’, merkte Witten scherp op,
zijn Brabants accent nu hoorbaar. ‘Goed, die Haighton loopt mank ten gevolge
van een val, een breuk die nooit goed heelde, kocht later het weekblad De Kunst
en een Leidse drukkerij en later nog eens een literair maandblad. Hij is zelfs
gepromoveerd op een proefschrift over Schopenhauer. Met een titel die me
helemaal niets zegt. Ik neem aan dat de heren het gelezen hebben?’ ‘Van A tot
Z, chef’, antwoorde Peter meteen, ‘maar U natuurlijk ook, nemen we aan, dus we
kunnen er een boom over opzetten.’
Witten grijnsde. Hij mocht die twee
brutale donders wel. Die marineman zat te liegen dat hij blauw zag. Natuurlijk
had hij die scriptie over Schopenhauer niet gelezen, maar wie wel? Hij blies
een dikke rookwolk het vertrek in. Peter grijnsde terug, maar Ed kreeg een
kleur. Dat staalharde liegen wat Peter soms deed, stond hem tegen.
‘Goed, we lezen verder.
Medeoprichter en financier van Het
verbond van Actualisten, de eerste Nederlandse fascistenbeweging. Wat hield
dat eigenlijk in? Nee, laat ook maar, ik las het al ergens. Oh ja, dat was een
afspiegeling van het Italiaans fascisme van die Mussolini, toch?’ Winkelman
knikte: ‘Inderdaad, maar het clubje was geen lang leven beschoren, het werd in
’26 al weer opgeheven.’ De majoor bladerde een paar pagina’s verder: ‘In ’27
werd De Bezem opgericht en stelde
onze man ene Jan Baars aan als leider. Maar ook deze vereniging sloeg niet echt
aan, is het niet? In ieder geval, jullie bevindingen samenvattend is dat de man
Alfred Haighton niet een echte bedreiging is voor ons koningshuis en ons
staatsbestel en van onze neutraliteit, vat ik dat, op mijn beurt, goed samen?’
Beide officieren knikten. ‘Wat zich
hier te lande fascisten noemt zijn kleine en nog kleinere groepjes
ontevredenen, majoor’, zei Peter. ‘Ze richten allerlei verenigingen en
verbonden op, die net zo snel, onder veel heisa en gekibbel, uit elkaar vallen
en die dan al vechtend over straat rollen. Het ontbreekt al die clubjes aan een
sterke man, die eenheid brengt in de gelederen.’
Ed vulde hem aan: ‘Maar, er is nog
steeds die NSB. De leider van die beweging, die ingenieur Mussert, is ook geen
echt sterke man, maar hij heeft wel twee vazallen, Rost van Tonningen en Van
Geelkerken, die wel sterk zijn. Daar moeten we ons voor hoeden. Maar, in onze
opinie, is ons land niet rijp voor fascisme. Maar en ik ben bang nu een
bevriend staatshoofd te beledigen, bij onze oosterburen is die sterke man er
wel. Peter en ik hebben grote angst voor de opkomst van Rijkskanselier Hitler,
met zijn Nationaal socialistische partij.’
Geen opmerkingen:
Een reactie posten