Er werd gebeld en korzelig nam de
majoor de telefoon aan. Op de gang klonken gedempte, gehaaste stappen. Tram
vier gilde, tinkelend door de bocht. Een ijle vrouwenstem riep iets, buiten op
straat.
‘De Winter, staf G III hier’ …
‘Excellentie, ik kom meteen. Nee, ik maak nog even een gesprek af en dan ben ik
op Uw bureau.’ … ‘Tot direct, excellentie.’
Hij legde de hoorn op de haak en
wendde zich tot de twee bezoekers. ‘Ik moet nu bij de grote baas komen, begrijp
ik. Jullie kunnen je bij Sergeant-majoor schrijver De Wit vervoegen. Hij zal
jullie gegevens over nemen en de zaak administratief verder afhandelen. Maar
goed werk, hoor, goed werk. De volgende klus zal De Wit jullie ook aanreiken,
trouwens. Goed, tot zo dan.’
Hij nam zijn pet en jas van de
kapstok en verliet samen met zijn twee ondergeschikten het vertrek. Haastig
wandelde de majoor de gang af naar het trappenhuis. De Minister van Defensie
(Witten wilde nog steeds: Minister van Oorlog zeggen, hoewel die naam al in
1928 veranderd was) zetelde op de eerste etage van het statige gebouw.
De beide officieren, die ondertussen
ook op vriendschappelijke basis met elkaar omgingen, liepen de “hut” van de
majoor schrijver binnen. De majoor had zijn kamer “hut” gedoopt omdat hij nu
eenmaal een marineman was en hij het vertikte om op een kamer of een chambree te
zitten. Pieterse had verse thee gezet en zij trokken, elk met een dampende mok,
hun stoelen bij het bureau van De Wit. De sergeant majoor zat met zijn
uniformjasje open achter zijn bureau. De beide grote gouden chevrons tekenden
mooi af tegen het donkerblauwe kamgaren van zijn jas. Hij haalde een map uit
een la van zijn bureau en opende die. Er rinkelde een telefoon. ‘Heren, er is
een nieuwe opdracht gekomen. De “baas” wil dat jullie onderzoek gaan doen naar
die affaire in het Hotel des Indes. Vorige week, ja jullie zaten lekker in
Amsterdam natuurlijk, is de vrouw van de Finse marineattaché aangevallen door
een man die haar bedreigde met de dood. Hij kwam het hotel binnen waar mevrouw,
eh, hoe heette ze nou, oh ja, Mikonen, thee zat te drinken met een paar vriendinnen.
De man zette koers naar hun tafeltje en begon geweldig te keer te gaan tegen
mevrouw de attaché. Hij sprak een buitenlandse taal, die mevrouw als Russisch
duidde. De hoofdkelner wist, samen met de portier, de man te verwijderen, maar
hij liet in de worsteling die volgde iets vallen. Een speldje, waarschijnlijk
uit zijn revers gevallen. De politie die toegeschoten was..’ Pieterse had
eindelijk de rinkelende telefoon aangenomen. ‘Heren, de majoor voor U, het is
dringend, zegt hij!’
Ze melden zich bij de secretaresse
van de minister, mevrouw Blauwvoet. Een nog niet al te oude dame, die, volgens
de mode van die tijd gekleed ging en die mode schreef voor dat ze dus helemaal
‘plat’ was. Ed beweerde dat hij haar eens op het strand van Scheveningen had
gezien en hij vertelde dat mevrouw Blauwvoet helemaal niet plat was, maar in
haar badpak meer op een fregat met de kanonnen te boord had geleken, had hij
naar Peter geknipoogd. Iets later liepen ze het kantoor van de Minister van
Defensie binnen, nadat mevrouw Blauwvoet hen had aangekondigd. Dr. Mr. L.N.
Deckers was een doorgewinterde politicus van RKSP signatuur die al een
ministerschap in het kabinet Ruys de Beerenbrouck had gehad en in die periode
de beslissing had moeten nemen om het pantserschip de Zeven Provinciën te laten
bombarderen, nadat muitende schepelingen het schip hadden gekaapt. De muiters
hadden de officieren afgezet en van boord laten gaan en waren met het oude
pantserschip rond Sumatra gaan varen om zodoende aandacht te vragen voor en protest
aan te tekenen tegen de schandalige salaris verlaging, van de toch al niet hoge
lonen, of katje, zoals dat bij de marine heette, die hen eenzijdig werd
opgelegd. Vooral de Inlandse schepelingen werden door die bezuinigingen nogal
geraakt. Uiteindelijk gooide een marine vliegtuig een bom op het voorschip van
de oude kruiser en daardoor vielen er negentien doden en twintig zwaar- en
lichtgewonden. Een daad die nogal wat kritiek had opgeleverd maar de minister
had al die kritiek glansrijk doorstaan.
Deckers was een flinke man met een
stevig postuur en een gebruinde huidskleur. Maar nu zag hij abnormaal bleek.
Zijn stem sidderde licht en zijn Brabants accent was meer geprononceerd dan
anders, toen hij de twee nieuwe bezoekers begroette. Aan het bureau tegenover
de minister zat majoor Witten met een grimmig gezicht, zijn handen op het
bureau, spelend met zijn koude pijp. Het bureau van de minister, anders een
toonbeeld van orde, waar haast alle attributen op militaire wijze stonden op
gelijnd, leek nu een slagveld. Formulieren lagen over het bureau verspreid,
vloeiblad en inktpot stonden wanordelijk door elkaar en de pennen, die
normaliter keurig in de pennenhouder stonden, lagen overal op het bureau.
‘Heren, welgekomen, neemt U plaats?
Thee? Nee? Ik heb U laten komen, nu ja, Uw meerdere heeft om U gezonden, want
ik kan wel zeggen dat er ramp is gebeurd, ik, ach, ik, ik ben geruïneerd,
alstublieft majoor, wilt U het overnemen, ik kan niet meer.’
Hij nam weer plaats en haalde een
zakdoek tevoorschijn waarmee hij zijn voorhoofd bette. De minister maakte een
heel gespannen en emotionele indruk op Peter en Ed.
Witten schraapte zijn stem, stopte
ondertussen, uit gewoonte maar weer eens zijn pijp en keek zijn twee
ondergeschikten indringend aan. ‘Peter en Eduard’, begon hij. De jonge
officieren keken elkaar snel even aan. Als de majoor hun voornamen noemde, dan was
de zaak wel heel erg serieus, wisten ze. ‘Weten jullie wat “Het
Slagkruiserplan” is?’ De majoor sprak die laatste woorden met een soort respect
in zijn stem uit. Niet begrijpend schudden de twee hun hoofd. Nee, daar hadden
ze nog nooit van gehoord. Peter wist natuurlijk wat slagkruisers waren, daar
was hij marine officier voor. Hij had HMS Hood gezien, natuurlijk, dat mooie en
sterkste schip van de wereld, terwijl zijn mijnenveger een routine bezoek
bracht aan de marine haven van Portsmouth. Hij en zijn bemanning hadden
bewonderend en met verbazing naar het fraaie en stoere schip gekeken dat met
haar 250 meter lengte en haar waterverplaatsing van meer dan 42.000 ton als een
muur van staal boven hen was uitgetorend, de zijkanten en de dekken van het
schip bezaaid met kanons, waarvan het kleinste kaliber al zwaarder was dan de
hele bewapening van zijn schip. Ook de Repulse en Renown had hij wel eens
gezien in Jane’s Fighting Ships en
hij wist dat ook dat enorme snelle en zware schepen, capital ships, zoals ze in het naslagboek werden genoemd, waren,
maar het slagkruiserplan, of welk slagkruiserplan dan ook, nee, dat zei hem
helemaal niets.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten