donderdag 12 januari 2017

Het Slagkruiserplan (vervolg)



Er werd gebeld en korzelig nam de majoor de telefoon aan. Op de gang klonken gedempte, gehaaste stappen. Tram vier gilde, tinkelend door de bocht. Een ijle vrouwenstem riep iets, buiten op straat.
‘De Winter, staf G III hier’ … ‘Excellentie, ik kom meteen. Nee, ik maak nog even een gesprek af en dan ben ik op Uw bureau.’ … ‘Tot direct, excellentie.’
Hij legde de hoorn op de haak en wendde zich tot de twee bezoekers. ‘Ik moet nu bij de grote baas komen, begrijp ik. Jullie kunnen je bij Sergeant-majoor schrijver De Wit vervoegen. Hij zal jullie gegevens over nemen en de zaak administratief verder afhandelen. Maar goed werk, hoor, goed werk. De volgende klus zal De Wit jullie ook aanreiken, trouwens. Goed, tot zo dan.’
Hij nam zijn pet en jas van de kapstok en verliet samen met zijn twee ondergeschikten het vertrek. Haastig wandelde de majoor de gang af naar het trappenhuis. De Minister van Defensie (Witten wilde nog steeds: Minister van Oorlog zeggen, hoewel die naam al in 1928 veranderd was) zetelde op de eerste etage van het statige gebouw.

De beide officieren, die ondertussen ook op vriendschappelijke basis met elkaar omgingen, liepen de “hut” van de majoor schrijver binnen. De majoor had zijn kamer “hut” gedoopt omdat hij nu eenmaal een marineman was en hij het vertikte om op een kamer of een chambree te zitten. Pieterse had verse thee gezet en zij trokken, elk met een dampende mok, hun stoelen bij het bureau van De Wit. De sergeant majoor zat met zijn uniformjasje open achter zijn bureau. De beide grote gouden chevrons tekenden mooi af tegen het donkerblauwe kamgaren van zijn jas. Hij haalde een map uit een la van zijn bureau en opende die. Er rinkelde een telefoon. ‘Heren, er is een nieuwe opdracht gekomen. De “baas” wil dat jullie onderzoek gaan doen naar die affaire in het Hotel des Indes. Vorige week, ja jullie zaten lekker in Amsterdam natuurlijk, is de vrouw van de Finse marineattaché aangevallen door een man die haar bedreigde met de dood. Hij kwam het hotel binnen waar mevrouw, eh, hoe heette ze nou, oh ja, Mikonen, thee zat te drinken met een paar vriendinnen. De man zette koers naar hun tafeltje en begon geweldig te keer te gaan tegen mevrouw de attaché. Hij sprak een buitenlandse taal, die mevrouw als Russisch duidde. De hoofdkelner wist, samen met de portier, de man te verwijderen, maar hij liet in de worsteling die volgde iets vallen. Een speldje, waarschijnlijk uit zijn revers gevallen. De politie die toegeschoten was..’ Pieterse had eindelijk de rinkelende telefoon aangenomen. ‘Heren, de majoor voor U, het is dringend, zegt hij!’

Ze melden zich bij de secretaresse van de minister, mevrouw Blauwvoet. Een nog niet al te oude dame, die, volgens de mode van die tijd gekleed ging en die mode schreef voor dat ze dus helemaal ‘plat’ was. Ed beweerde dat hij haar eens op het strand van Scheveningen had gezien en hij vertelde dat mevrouw Blauwvoet helemaal niet plat was, maar in haar badpak meer op een fregat met de kanonnen te boord had geleken, had hij naar Peter geknipoogd. Iets later liepen ze het kantoor van de Minister van Defensie binnen, nadat mevrouw Blauwvoet hen had aangekondigd. Dr. Mr. L.N. Deckers was een doorgewinterde politicus van RKSP signatuur die al een ministerschap in het kabinet Ruys de Beerenbrouck had gehad en in die periode de beslissing had moeten nemen om het pantserschip de Zeven Provinciën te laten bombarderen, nadat muitende schepelingen het schip hadden gekaapt. De muiters hadden de officieren afgezet en van boord laten gaan en waren met het oude pantserschip rond Sumatra gaan varen om zodoende aandacht te vragen voor en protest aan te tekenen tegen de schandalige salaris verlaging, van de toch al niet hoge lonen, of katje, zoals dat bij de marine heette, die hen eenzijdig werd opgelegd. Vooral de Inlandse schepelingen werden door die bezuinigingen nogal geraakt. Uiteindelijk gooide een marine vliegtuig een bom op het voorschip van de oude kruiser en daardoor vielen er negentien doden en twintig zwaar- en lichtgewonden. Een daad die nogal wat kritiek had opgeleverd maar de minister had al die kritiek glansrijk doorstaan.
Deckers was een flinke man met een stevig postuur en een gebruinde huidskleur. Maar nu zag hij abnormaal bleek. Zijn stem sidderde licht en zijn Brabants accent was meer geprononceerd dan anders, toen hij de twee nieuwe bezoekers begroette. Aan het bureau tegenover de minister zat majoor Witten met een grimmig gezicht, zijn handen op het bureau, spelend met zijn koude pijp. Het bureau van de minister, anders een toonbeeld van orde, waar haast alle attributen op militaire wijze stonden op gelijnd, leek nu een slagveld. Formulieren lagen over het bureau verspreid, vloeiblad en inktpot stonden wanordelijk door elkaar en de pennen, die normaliter keurig in de pennenhouder stonden, lagen overal op het bureau.
‘Heren, welgekomen, neemt U plaats? Thee? Nee? Ik heb U laten komen, nu ja, Uw meerdere heeft om U gezonden, want ik kan wel zeggen dat er ramp is gebeurd, ik, ach, ik, ik ben geruïneerd, alstublieft majoor, wilt U het overnemen, ik kan niet meer.’
Hij nam weer plaats en haalde een zakdoek tevoorschijn waarmee hij zijn voorhoofd bette. De minister maakte een heel gespannen en emotionele indruk op Peter en Ed.
Witten schraapte zijn stem, stopte ondertussen, uit gewoonte maar weer eens zijn pijp en keek zijn twee ondergeschikten indringend aan. ‘Peter en Eduard’, begon hij. De jonge officieren keken elkaar snel even aan. Als de majoor hun voornamen noemde, dan was de zaak wel heel erg serieus, wisten ze. ‘Weten jullie wat “Het Slagkruiserplan” is?’ De majoor sprak die laatste woorden met een soort respect in zijn stem uit. Niet begrijpend schudden de twee hun hoofd. Nee, daar hadden ze nog nooit van gehoord. Peter wist natuurlijk wat slagkruisers waren, daar was hij marine officier voor. Hij had HMS Hood gezien, natuurlijk, dat mooie en sterkste schip van de wereld, terwijl zijn mijnenveger een routine bezoek bracht aan de marine haven van Portsmouth. Hij en zijn bemanning hadden bewonderend en met verbazing naar het fraaie en stoere schip gekeken dat met haar 250 meter lengte en haar waterverplaatsing van meer dan 42.000 ton als een muur van staal boven hen was uitgetorend, de zijkanten en de dekken van het schip bezaaid met kanons, waarvan het kleinste kaliber al zwaarder was dan de hele bewapening van zijn schip. Ook de Repulse en Renown had hij wel eens gezien in Jane’s Fighting Ships en hij wist dat ook dat enorme snelle en zware schepen, capital ships, zoals ze in het naslagboek werden genoemd, waren, maar het slagkruiserplan, of welk slagkruiserplan dan ook, nee, dat zei hem helemaal niets.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten