maandag 26 december 2016

Het Slagkruiserplan (4)



2. Den Haag, oktober 1934

Twee officieren liepen door de lange gangen van het gebouw van het Ministerie van Defensie, zoals het departement nu alweer een jaar of zeven heette, aan het Plein in Den Haag. Hun stappen klonken hol op de kale stenen van de gang. Het oude logement dat ooit afgevaardigden van de stad Rotterdam herbergde, was dan wel een aantal malen vergroot en verbouwd, maar de gangen leken nog steeds op tochtgaten en ze waren niet warm te stoken ook. Hoewel het pas oktober was, was het al flink koud. De beide mannen rilden wat in hun duffelse jekkers. De ene officier droeg het veldgrijze uniform van een Kapitein van de Infanterie, de andere het donkerblauwe kamgaren van de Koninklijke Marine.
Ze waren allebei even oud en van gelijke rang, de marine officier was Luitenant ter zee der Tweede klasse, een rang gelijk aan die van Kapitein, maar verder hield dan ook elke gelijkenis op. Was de landmacht man lang en hoog opgeschoten, met een kort kapsel, een blonde kuif en een blik die goedmoedig, zo leek het, de wereld inkeek, de Marine man was vrij kort en wat gedrongen, en was bezig een buikje te ontwikkelen. Hij was donkerharig en zijn haarlengte was niet volgens de strenge voorschriften. Ze krulde bijna over zijn oren. Hij had een vol, bijna rond gelaat met scherpe, pientere blauwe ogen.
De kapitein was vierendertig en de luitenant ter zee was een jaartje ouder. Beide waren ze, natuurlijk, beroepsofficieren en waren in hetzelfde jaar tot officier benoemd, nu alweer veertien jaar geleden. De bevorderingen waren traag in deze moeilijke jaren en ze waren al lang blij dat ze, onafhankelijk van elkaar, hadden gesolliciteerd naar de banen die ze nu hadden. Ze hadden elkaar pas leren kennen in een eerste sollicitatie ronde en, hoewel ze verschillende karakters en heel verschillende achtergrond hadden, hadden ze elkaar gelijk gemogen. Ze waren nu beide stafmedewerkers van de afdeling G III, de inlichtingendienst van het ministerie van Defensie. Een afdeling die rechtstreeks onder de minister ressorteerde. Het was een kleine dienst, met slechts een tiental medewerkers.
De sollicitatieprocedure naar deze baan was vrij langdurig geweest. Op de geschreven sollicitatie was een lang gesprek gevolg, hier in Den Haag, met majoor Witten, het hoofd vaan de sectie en natuurlijk was er een uitgebreid antecedenten onderzoek naar hen gedaan. De redenen voor hun respectievelijke sollicitaties waren natuurlijk vrij simpel en snel uitgelegd. Hoewel ze, onafhankelijk van elkaar, bijna in dezelfde bewoordingen hadden verklaard dat ze het vaderland ook in deze functie wilden dienen en, daar er geen echte vijand voor de deur stond, ze zo de oorlog maar opzochten, had majoor Witten daar door heen gekeken.
‘Die motivatie van jullie is gelul, heren, zeg ik het maar kort en bot. Jullie willen de naast hogere rang behalen, promotie maken, da’s mij wel duidelijk. En de enige manier om dat te doen is om hier te solliciteren. Nu, haal de vingers maar uit jullie kont: die gun ik jullie. Met ingang van de eerste van de volgende maand zijn jullie bij de sectie in dienst in die naast hogere rang. Zelf heb ik ook jaren moeten sukkelen als loopjongen van een of andere overste voor ik mijn kapiteinsrang behaalde, dus ik begrijp jullie beweegredenen volkomen. Maar dat is natuurlijk niet de reden, dat jullie hier zijn beland. Na gedegen onderzoek van jullie conduitestaten, zijn jullie de twee meest geschikte kandidaten gebleken. En we hadden er heel veel, hoor, maar dat spreekt. Maar, zoals gezegd, en dat gaf de doorslag zeker bij de minister, jullie hebben beiden ervaring met geheime missies, heb ik begrepen.’


Hij bladerde wat in zijn papieren en hernam het gesprek: ‘Eerste luitenant Eduard Winkelman, geboren de dertiende april 1901 te Berlijn, klopt dat?’ ‘Ja, dat is correct, majoor, mijn vader was daar..’ ‘Militair attaché, ja, dat weet ik. Goed, afgestudeerd jaargang ’20 als derde van zijn jaar aan de Academie. Indrukwekkend. Ik ben als voorlaatste geslaagd, klas van ’13. Daarom mocht ik vier jaar in Brabant doorbrengen, bij het veldleger, maar goed, dat waren andere tijden. Scherpschutter op alle wapenen, da’s fraai. Hm, dienst bij het veldleger en bij de vestingtroepen, en eh, even zoeken, ja, hier heb ik het. Ik lees hier dat eerste luitenant Winkelman in ’31 op missie was in Albanië? De affaire Krijger zeker? Ja, dacht ik al. Ja, die Krijger diende nog onder Colijn in Atjeh en nu is de neef van Willemien koning van Albanië. Nou, dan weet je het wel, natuurlijk. Maar, daar heb je een fraai rapport over geschreven, mijn jongen, zeer fraai. Een ingewikkelde zaak, heb ik altijd gevonden. Je hebt er zelfs nieuw licht in kunnen brengen, lees ik. Hij is niet van voren getroffen, heb je geconstateerd. Nou dan hebben die verrekte patjepeeërs hem zelf vernaggeld, toch?’ Hij glimlachte in zichzelf alsof een vermoeden dat hij had gehad was uitgekomen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten