2. Den Haag, oktober 1934
Twee officieren liepen door de lange
gangen van het gebouw van het Ministerie van Defensie, zoals het departement nu
alweer een jaar of zeven heette, aan het Plein in Den Haag. Hun stappen klonken
hol op de kale stenen van de gang. Het oude logement dat ooit afgevaardigden
van de stad Rotterdam herbergde, was dan wel een aantal malen vergroot en
verbouwd, maar de gangen leken nog steeds op tochtgaten en ze waren niet warm
te stoken ook. Hoewel het pas oktober was, was het al flink koud. De beide
mannen rilden wat in hun duffelse jekkers. De ene officier droeg het veldgrijze
uniform van een Kapitein van de Infanterie, de andere het donkerblauwe kamgaren
van de Koninklijke Marine.
Ze waren allebei even oud en van
gelijke rang, de marine officier was Luitenant ter zee der Tweede klasse, een
rang gelijk aan die van Kapitein, maar verder hield dan ook elke gelijkenis op.
Was de landmacht man lang en hoog opgeschoten, met een kort kapsel, een blonde
kuif en een blik die goedmoedig, zo leek het, de wereld inkeek, de Marine man
was vrij kort en wat gedrongen, en was bezig een buikje te ontwikkelen. Hij was
donkerharig en zijn haarlengte was niet volgens de strenge voorschriften. Ze
krulde bijna over zijn oren. Hij had een vol, bijna rond gelaat met scherpe,
pientere blauwe ogen.
De kapitein was vierendertig en de
luitenant ter zee was een jaartje ouder. Beide waren ze, natuurlijk,
beroepsofficieren en waren in hetzelfde jaar tot officier benoemd, nu alweer
veertien jaar geleden. De bevorderingen waren traag in deze moeilijke jaren en
ze waren al lang blij dat ze, onafhankelijk van elkaar, hadden gesolliciteerd
naar de banen die ze nu hadden. Ze hadden elkaar pas leren kennen in een eerste
sollicitatie ronde en, hoewel ze verschillende karakters en heel verschillende
achtergrond hadden, hadden ze elkaar gelijk gemogen. Ze waren nu beide
stafmedewerkers van de afdeling G III, de inlichtingendienst van het ministerie
van Defensie. Een afdeling die rechtstreeks onder de minister ressorteerde. Het
was een kleine dienst, met slechts een tiental medewerkers.
De sollicitatieprocedure naar deze
baan was vrij langdurig geweest. Op de geschreven sollicitatie was een lang
gesprek gevolg, hier in Den Haag, met majoor Witten, het hoofd vaan de sectie
en natuurlijk was er een uitgebreid antecedenten onderzoek naar hen gedaan. De
redenen voor hun respectievelijke sollicitaties waren natuurlijk vrij simpel en
snel uitgelegd. Hoewel ze, onafhankelijk van elkaar, bijna in dezelfde
bewoordingen hadden verklaard dat ze het vaderland ook in deze functie wilden
dienen en, daar er geen echte vijand voor de deur stond, ze zo de oorlog maar
opzochten, had majoor Witten daar door heen gekeken.
‘Die motivatie van jullie is gelul,
heren, zeg ik het maar kort en bot. Jullie willen de naast hogere rang behalen,
promotie maken, da’s mij wel duidelijk. En de enige manier om dat te doen is om
hier te solliciteren. Nu, haal de vingers maar uit jullie kont: die gun ik
jullie. Met ingang van de eerste van de volgende maand zijn jullie bij de
sectie in dienst in die naast hogere rang. Zelf heb ik ook jaren moeten
sukkelen als loopjongen van een of andere overste voor ik mijn kapiteinsrang
behaalde, dus ik begrijp jullie beweegredenen volkomen. Maar dat is natuurlijk
niet de reden, dat jullie hier zijn beland. Na gedegen onderzoek van jullie
conduitestaten, zijn jullie de twee meest geschikte kandidaten gebleken. En we
hadden er heel veel, hoor, maar dat spreekt. Maar, zoals gezegd, en dat gaf de
doorslag zeker bij de minister, jullie hebben beiden ervaring met geheime missies,
heb ik begrepen.’
Hij bladerde wat in zijn papieren en
hernam het gesprek: ‘Eerste luitenant Eduard Winkelman, geboren de dertiende
april 1901 te Berlijn, klopt dat?’ ‘Ja, dat is correct, majoor, mijn vader was
daar..’ ‘Militair attaché, ja, dat weet ik. Goed, afgestudeerd jaargang ’20 als
derde van zijn jaar aan de Academie. Indrukwekkend. Ik ben als voorlaatste
geslaagd, klas van ’13. Daarom mocht ik vier jaar in Brabant doorbrengen, bij
het veldleger, maar goed, dat waren andere tijden. Scherpschutter op alle
wapenen, da’s fraai. Hm, dienst bij het veldleger en bij de vestingtroepen, en
eh, even zoeken, ja, hier heb ik het. Ik lees hier dat eerste luitenant
Winkelman in ’31 op missie was in Albanië? De affaire Krijger zeker? Ja, dacht
ik al. Ja, die Krijger diende nog onder Colijn in Atjeh en nu is de neef van
Willemien koning van Albanië. Nou, dan weet je het wel, natuurlijk. Maar, daar
heb je een fraai rapport over geschreven, mijn jongen, zeer fraai. Een
ingewikkelde zaak, heb ik altijd gevonden. Je hebt er zelfs nieuw licht in
kunnen brengen, lees ik. Hij is niet van voren getroffen, heb je geconstateerd.
Nou dan hebben die verrekte patjepeeërs hem zelf vernaggeld, toch?’ Hij
glimlachte in zichzelf alsof een vermoeden dat hij had gehad was uitgekomen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten