zaterdag 24 december 2016

Het Slagkruiserplan (2)



1. Schiphol, vrijdag 17 mei 1935

De man in het bruine pak keek met zijn toneelkijker recht naar voren en iets schuin omhoog, naar de lucht in het oosten. Hij stond op het bezoekersterras voor het restaurant van de, nog jonge, luchthaven. Hij was gekleed in een bruine broek met wijde pijpen die hij met een dunne riem had vastgegespt en een bruin colbert met een dubbele rij knopen. Zijn overhemd was grijs en daarop droeg hij een zwarte stropdas. Op zijn hoofd had hij een slappe bruine hoed, waarvan hij de rand een beetje in zijn ogen had getrokken, alsof hij niet wilde dat de mensen om hem heen hem zouden herkennen. Zijn figuur was lang en schraal. Hij had ingevallen wangen en een zwarte lok haar op zijn voorhoofd maar dat werd nu grotendeels door zijn hoed bedekt. Hij droeg een smal snorretje, van het type ‘tandenborstel’ dat zo in de mode was geraakt aan het einde van de jaren twintig, maar dat nu steeds vaker door heel veel mannen gedragen werd.
Zeker nu de leider van de grootste politieke partij in Duitsland, de Nazionalsocialische Deutsche Arbeiter Partei, kortweg de Nazi’s, in elk bioscoopjournaal te zien was nu hij de macht naar zich had toe getrokken. Die leider heette Hitler, Adolf Hitler en het was een beroepspoliticus van Oostenrijkse afkomst. De man streelde het snorretje met wijsvinger en duim van de linkerhand, terwijl hij met de andere hand de kleine kijker weer naar zijn ogen bracht. Nog niets, dacht hij, ik sta mijn tijd hier te verdoen op dit verrekte Schiphol. Schiphol. Schepen hel, dat hadden ze hem verteld op school, want der zonken zoveel schepen in dit stuk van de Haarlemmermeer, zeiden ze, maar het had niks met een kerkhof van schepen te maken. Het betekende gewoon kreupelhout. Van chips, wat kleine stukjes betekende en van holt, struikgewas. Al dat geouwehoer van die schoolmeesters, dacht hij, weten die eikels veel van wat de echte wereld is?
Die echte wereld, dat was de wereld waar hij in leefde. Sappelen en wroeten om maar een beetje loon bij elkaar te hannesen, zodat hij zijn wijf en zijn koter te eten kon geven en eindelijk die eeuwige huurachterstand eens te kunnen betalen. Goddomme, de echte wereld! Hij werd al doodziek als hij er aan dacht, aan die echte wereld. Die echte wereld werd bevolkt door kapitalisten die de gewone man, ja, die gewone burgerman, helemaal uitkleedde en zomaar ontsloeg en zelf dikke zalm moten vraten en champagne zopen in hun kasten van huizen in Wassenaar of Laren. Goddomme, en het volk maar sappelen. Zeker na ’29 was dat zo, toen al die dikke, vette kapitalisten in New York “en Gross zelfmoord pleegden”, zoals Volk en Vaderland dat had genoemd, door zich uit hotelkamers op twintig hoog naar beneden te storten. Nu ja, die verhalen stonden dan ook nog in Het Volk, de krant die hij wel eens las als zijn buurman, die schoolmeester was en natuurlijk op de SDAP stemde, de krant uithad en bij hem in de bus stak. Maar kranten, ach, ze logen allemaal, in zijn ogen.
Toch mooi dat ‘ie indertijd dit baantje had kennen regelen via zijn zwagertje Nol. Die kende die Meeuw natuurlijk van zijn niet al te frisse zaakjes in de Lange Niezel en had hem in contact gebracht met Meeuw. Nou ja, af en toe eens wat bekijken op een vliegveld, een mannetje achtervolgen en kijken of die hem niet in een ander wijffie dan die van hem stak, dan voor een fotografisch bewijs zorgen, zodat Meeuw die man er van kon overtuigen om hem, Meeuw, maar wat geld toe te schuiven voor zijn zwijgplicht, neu, dat was goed werk. En Meeuw schoof goed, daar had hij geen klagen over. En, zo kon hij ook blijven stempelen, maar kreeg toch extra centen in zijn handen. Dan kon die voor Sjaan ook weer eens een leuk jurkie kopen. Of zou hij eens wat lekker pikant ondergoed voor d’r halen? Dat zou der best goed staan want ze had nog steeds een lekker lijf. Er was een nieuwe winkel geopend op het Rokin, Hunkemöller, of zoiets heette die zaak. Daar lagen van die broekies met van die korte pijpjes in de etalage, of dan hadden ze van die pasdingen, zo’n vrouwen onderlijf, zeg maar en dat was wel een heet gezicht, en dan zou ‘ie zo’n broekje kopen en dan kon hij hem wel eens daartussendoor naar binnen schuiven. Hij schrok op van het naderende motorengebrom en zijn beginnende erectie, veroorzaakt door de erotische fantasie waarin hij Sjaan al had zien lopen met dat broekje aan en de manier waarop hij haar dan zou kunnen nemen, verdween ter plekke.
Weer keek hij naar de oostelijke hemel en nog steeds zag hij niets in de laaghangende bewolking die over de Haarlemmermeer polder hing als de dekens die zijn moeder vroeger elke dag uithing buiten hun woning aan de Anjelierstraat. Hij zuchtte eens diep en wilde eigenlijk dat hij gewoon thuis zat, in zijn woninkje in het nieuwe plan Zuid, op het platje bij zijn duiffie’s.
Opeens hoorde hij de zwoele stem van de omroepster via het luidsprekersysteem.
“Attentie dames en heren. Over enkele minuten zal de verlate vlucht uit Berlijn Tempelhof, de PH OOI landen. Wij verzoeken U om het veld niet te betreden voor dat de vliegmachine is uitgerold en de suppoost de hekken heeft geopend. Herhaling: Attentie…”
De man keek naar beneden, waar een zestigtal mensen voor het hek stonden te wachten om de reizigers die uit Berlijn of Warschau kwamen te begroeten. Hij richtte zijn kijker op de wachtenden en meende even één van die rot officieren te herkennen, waar hij voor gewaarschuwd was, maar het begon nu al weer wat te betrekken en de man, die hij meende te herkennen, stond ook nog in de schaduw, dus zeker was hij er niet van.
Nu hoorde hij ook duidelijk het zware brommende geluid van de twee Curtiss-Wright motoren van de DC2 naderen en dan opeens priemde een geel landingslicht door de heiigheid die al een dag of wat over het vliegveldje lag. Even later rolde het toestel, hotsend en botsend over het grasveld van de landingsbaan, maakte een grote U bocht en reed langzaam naar het midden van het ontvangstveld. Onmiddellijk gingen kruiers met bagagewagens naar het achtereinde van het toestel, terwijl vier mannen met de verrijdbare trap aan kwamen sjouwen. De deur van het passagiers gedeelte ging open en de trap werd tegen de buik van het toestel gereden. De twee stewardessen gingen elk aan een zijde van de deur op het bredere bordes van de trap staan en gaven elke passagier keurig een handje. De heren die naar buiten kwamen drukten de beide knappe, blonde vrouwen allemaal een bankbiljet in de handen en kregen daarvoor een lieftallige glimlach en een dankwoordje terug. De dames gaven geen fooien, natuurlijk, maar dankten de twee stewardessen met een hoofdknik en een lichte handdruk.
De man tuurde strak door zijn kijker en zag de passagiers één voor één naar buiten komen. Welgedane heren in reiskostuum, knappe dames in sportieve jasjes met driekwartrokken kwamen naar buiten, maar van de passagier waar hij naar uit zat te kijken was geen spoor. Het bordes rond hem was nu zo goed als leeg, doordat de afhalers allemaal naar het toestel waren gelopen en ook de mensen die eerst achter het hek hadden gestaan, stonden nu allemaal in een afgevlakte halve maan vorm rond de DC2. Hij vloekte binnensmonds, waar bleef die vent? Opeens zag hij, in de bovenste helft van zijn kijker, beweging aan de bakboordzijde van het toestel, de van hem afgewende zijde. De deur aan de kant van de gezagvoerder werd even snel geopend en daarna weer gesloten. Omdat hij een te hoog standpunt in nam kon hij verder niet zien wat daar gebeurde, maar hij had een verdraaid goed idee van wat het moest zijn. Hij holde de trap af naar het grasveld en bukte zich met zijn kijker in de aanslag om onder het toestel door te kijken. Hij zag een paar hollende benen naar de achterkant van het vliegtuig rennen. Hij is er wel dus, dacht hij grimmig, zo slim ben je nu ook weer niet, mannetje. Even later zag hij, achter het roer van het vliegtuig een hoofd tevoorschijn komen dat oplettend rondkeek. Hij wist genoeg. Dus toch. Die gozer had wel degelijk op deze vlucht gezeten. Hij draaide zich tevreden om en stopte de kijker in zijn slappe lichtbruine aktetas, die hij onder zijn linker arm droeg. Hij liep naar de rij telefooncellen in de hoek van de ontvangst- en vertrekhal en diepte een stuiver op uit een van de zakken van zijn colbert. Hij stapte een lege cel binnen, en sloot de deur zorgvuldig achter zich. Hij nam de hoorn van het toestel en kreeg direct de telefoniste aan de lijn. Hij vroeg een nummer met het kenteken in Amsterdam aan en wachtte een paar tellen. De telefoniste kwam terug: “Uw gesprek, mijnheer, met nummer 5-7301.” Hij stopte de stuiver in de gleuf van het apparaat en wachtte tot hij de krakerige stem hoorde die hem altijd wat kriebels bezorgde: ‘Meeuw hier.’ ‘Dit is Kraai. Hij is geland. Hij is nog bij het toestel en wacht kennelijk op zijn bagage. En U had gelijk, ik zie die officieren ook, waarvoor U me waarschuwde.’ ‘Mooi. Wacht daar Kraai, Reiger komt naar je toe. Onderneem niets voor we weten of ‘ie echt opgewacht worden door sectie drie. Is dat niet het geval, dan volg jij hem en later rapporteer je.’ De verbinding werd verbroken.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten