1. Schiphol, vrijdag 17 mei 1935
De man in het bruine pak keek met
zijn toneelkijker recht naar voren en iets schuin omhoog, naar de lucht in het
oosten. Hij stond op het bezoekersterras voor het restaurant van de, nog jonge,
luchthaven. Hij was gekleed in een bruine broek met wijde pijpen die hij met
een dunne riem had vastgegespt en een bruin colbert met een dubbele rij knopen.
Zijn overhemd was grijs en daarop droeg hij een zwarte stropdas. Op zijn hoofd
had hij een slappe bruine hoed, waarvan hij de rand een beetje in zijn ogen had
getrokken, alsof hij niet wilde dat de mensen om hem heen hem zouden herkennen.
Zijn figuur was lang en schraal. Hij had ingevallen wangen en een zwarte lok
haar op zijn voorhoofd maar dat werd nu grotendeels door zijn hoed bedekt. Hij
droeg een smal snorretje, van het type ‘tandenborstel’ dat zo in de mode was
geraakt aan het einde van de jaren twintig, maar dat nu steeds vaker door heel
veel mannen gedragen werd.
Zeker nu de leider van de grootste
politieke partij in Duitsland, de Nazionalsocialische Deutsche Arbeiter Partei,
kortweg de Nazi’s, in elk bioscoopjournaal te zien was nu hij de macht naar
zich had toe getrokken. Die leider heette Hitler, Adolf Hitler en het was een
beroepspoliticus van Oostenrijkse afkomst. De man streelde het snorretje met
wijsvinger en duim van de linkerhand, terwijl hij met de andere hand de kleine
kijker weer naar zijn ogen bracht. Nog niets, dacht hij, ik sta mijn tijd hier
te verdoen op dit verrekte Schiphol. Schiphol. Schepen hel, dat hadden ze hem
verteld op school, want der zonken zoveel schepen in dit stuk van de
Haarlemmermeer, zeiden ze, maar het had niks met een kerkhof van schepen te
maken. Het betekende gewoon kreupelhout. Van chips, wat kleine stukjes
betekende en van holt, struikgewas. Al dat geouwehoer van die schoolmeesters,
dacht hij, weten die eikels veel van wat de echte wereld is?
Die echte wereld, dat was de wereld
waar hij in leefde. Sappelen en wroeten om maar een beetje loon bij elkaar te
hannesen, zodat hij zijn wijf en zijn koter te eten kon geven en eindelijk die
eeuwige huurachterstand eens te kunnen betalen. Goddomme, de echte wereld! Hij
werd al doodziek als hij er aan dacht, aan die echte wereld. Die echte wereld
werd bevolkt door kapitalisten die de gewone man, ja, die gewone burgerman,
helemaal uitkleedde en zomaar ontsloeg en zelf dikke zalm moten vraten en
champagne zopen in hun kasten van huizen in Wassenaar of Laren. Goddomme, en
het volk maar sappelen. Zeker na ’29 was dat zo, toen al die dikke, vette
kapitalisten in New York “en Gross zelfmoord pleegden”, zoals Volk en Vaderland dat had genoemd, door zich uit hotelkamers op twintig
hoog naar beneden te storten. Nu ja, die verhalen stonden dan ook nog in Het Volk, de krant die hij wel eens las
als zijn buurman, die schoolmeester was en natuurlijk op de SDAP stemde, de
krant uithad en bij hem in de bus stak. Maar kranten, ach, ze logen allemaal,
in zijn ogen.
Toch mooi dat ‘ie indertijd dit
baantje had kennen regelen via zijn zwagertje Nol. Die kende die Meeuw
natuurlijk van zijn niet al te frisse zaakjes in de Lange Niezel en had hem in
contact gebracht met Meeuw. Nou ja, af en toe eens wat bekijken op een
vliegveld, een mannetje achtervolgen en kijken of die hem niet in een ander
wijffie dan die van hem stak, dan voor een fotografisch bewijs zorgen, zodat
Meeuw die man er van kon overtuigen om hem, Meeuw, maar wat geld toe te
schuiven voor zijn zwijgplicht, neu, dat was goed werk. En Meeuw schoof goed,
daar had hij geen klagen over. En, zo kon hij ook blijven stempelen, maar kreeg
toch extra centen in zijn handen. Dan kon die voor Sjaan ook weer eens een leuk
jurkie kopen. Of zou hij eens wat lekker pikant ondergoed voor d’r halen? Dat
zou der best goed staan want ze had nog steeds een lekker lijf. Er was een
nieuwe winkel geopend op het Rokin, Hunkemöller, of zoiets heette die zaak.
Daar lagen van die broekies met van die korte pijpjes in de etalage, of dan
hadden ze van die pasdingen, zo’n vrouwen onderlijf, zeg maar en dat was wel
een heet gezicht, en dan zou ‘ie zo’n broekje kopen en dan kon hij hem wel eens
daartussendoor naar binnen schuiven. Hij schrok op van het naderende
motorengebrom en zijn beginnende erectie, veroorzaakt door de erotische
fantasie waarin hij Sjaan al had zien lopen met dat broekje aan en de manier
waarop hij haar dan zou kunnen nemen, verdween ter plekke.
Weer keek hij naar de oostelijke
hemel en nog steeds zag hij niets in de laaghangende bewolking die over de
Haarlemmermeer polder hing als de dekens die zijn moeder vroeger elke dag
uithing buiten hun woning aan de Anjelierstraat. Hij zuchtte eens diep en wilde
eigenlijk dat hij gewoon thuis zat, in zijn woninkje in het nieuwe plan Zuid,
op het platje bij zijn duiffie’s.
Opeens hoorde hij de zwoele stem van
de omroepster via het luidsprekersysteem.
“Attentie dames en heren. Over enkele
minuten zal de verlate vlucht uit Berlijn Tempelhof, de PH OOI landen. Wij
verzoeken U om het veld niet te betreden voor dat de vliegmachine is uitgerold
en de suppoost de hekken heeft geopend. Herhaling: Attentie…”
De man keek naar beneden, waar een zestigtal
mensen voor het hek stonden te wachten om de reizigers die uit Berlijn of
Warschau kwamen te begroeten. Hij richtte zijn kijker op de wachtenden en
meende even één van die rot officieren te herkennen, waar hij voor gewaarschuwd
was, maar het begon nu al weer wat te betrekken en de man, die hij meende te
herkennen, stond ook nog in de schaduw, dus zeker was hij er niet van.
Nu hoorde hij ook duidelijk het
zware brommende geluid van de twee Curtiss-Wright motoren van de DC2 naderen en
dan opeens priemde een geel landingslicht door de heiigheid die al een dag of
wat over het vliegveldje lag. Even later rolde het toestel, hotsend en botsend
over het grasveld van de landingsbaan, maakte een grote U bocht en reed
langzaam naar het midden van het ontvangstveld. Onmiddellijk gingen kruiers met
bagagewagens naar het achtereinde van het toestel, terwijl vier mannen met de
verrijdbare trap aan kwamen sjouwen. De deur van het passagiers gedeelte ging
open en de trap werd tegen de buik van het toestel gereden. De twee
stewardessen gingen elk aan een zijde van de deur op het bredere bordes van de
trap staan en gaven elke passagier keurig een handje. De heren die naar buiten
kwamen drukten de beide knappe, blonde vrouwen allemaal een bankbiljet in de
handen en kregen daarvoor een lieftallige glimlach en een dankwoordje terug. De
dames gaven geen fooien, natuurlijk, maar dankten de twee stewardessen met een
hoofdknik en een lichte handdruk.
De man tuurde strak door zijn kijker
en zag de passagiers één voor één naar buiten komen. Welgedane heren in
reiskostuum, knappe dames in sportieve jasjes met driekwartrokken kwamen naar
buiten, maar van de passagier waar hij naar uit zat te kijken was geen spoor.
Het bordes rond hem was nu zo goed als leeg, doordat de afhalers allemaal naar
het toestel waren gelopen en ook de mensen die eerst achter het hek hadden
gestaan, stonden nu allemaal in een afgevlakte halve maan vorm rond de DC2. Hij
vloekte binnensmonds, waar bleef die vent? Opeens zag hij, in de bovenste helft
van zijn kijker, beweging aan de bakboordzijde van het toestel, de van hem
afgewende zijde. De deur aan de kant van de gezagvoerder werd even snel geopend
en daarna weer gesloten. Omdat hij een te hoog standpunt in nam kon hij verder
niet zien wat daar gebeurde, maar hij had een verdraaid goed idee van wat het
moest zijn. Hij holde de trap af naar het grasveld en bukte zich met zijn
kijker in de aanslag om onder het toestel door te kijken. Hij zag een paar
hollende benen naar de achterkant van het vliegtuig rennen. Hij is er wel dus,
dacht hij grimmig, zo slim ben je nu ook weer niet, mannetje. Even later zag
hij, achter het roer van het vliegtuig een hoofd tevoorschijn komen dat
oplettend rondkeek. Hij wist genoeg. Dus toch. Die gozer had wel degelijk op
deze vlucht gezeten. Hij draaide zich tevreden om en stopte de kijker in zijn
slappe lichtbruine aktetas, die hij onder zijn linker arm droeg. Hij liep naar
de rij telefooncellen in de hoek van de ontvangst- en vertrekhal en diepte een
stuiver op uit een van de zakken van zijn colbert. Hij stapte een lege cel
binnen, en sloot de deur zorgvuldig achter zich. Hij nam de hoorn van het
toestel en kreeg direct de telefoniste aan de lijn. Hij vroeg een nummer met
het kenteken in Amsterdam aan en wachtte een paar tellen. De telefoniste kwam
terug: “Uw gesprek, mijnheer, met nummer 5-7301.” Hij stopte de stuiver in de
gleuf van het apparaat en wachtte tot hij de krakerige stem hoorde die hem
altijd wat kriebels bezorgde: ‘Meeuw hier.’ ‘Dit is Kraai. Hij is geland. Hij
is nog bij het toestel en wacht kennelijk op zijn bagage. En U had gelijk, ik
zie die officieren ook, waarvoor U me waarschuwde.’ ‘Mooi. Wacht daar Kraai,
Reiger komt naar je toe. Onderneem niets voor we weten of ‘ie echt opgewacht
worden door sectie drie. Is dat niet het geval, dan volg jij hem en later
rapporteer je.’ De verbinding werd verbroken.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten